alleen voor FPG-ledenDit hoofdstuk is voor u niet geheel zichtbaar, omdat u niet bent ingelogd.
Inloggen kunt u in de linker kolom bij Mijn FPG.
Bent u FPG-lid en heeft u nog geen inlogcode of kunt u anderszins niet inloggen? Neem contact op!

Achtergronden Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid

Het Europese gemeenschappelijk landbouwbeleid bestaat uit drie onderdelen:

1. Bedrijfstoeslagen

In Europa gevestigde agrariërs kunnen desgewenst jaarlijks inkomenssteun in de vorm van een bedrijfstoeslag (toeslagrechten) van de Europese Unie aanvragen. Dat is vanaf de jaren ‘70 zo gegroeid, omdat agrariërs op de wereldmarkt niet meekonden vanwege duurdere arbeid, grond en andere grondstoffen in combinatie met de hogere eisen die Europa stelt op het gebied van o.a. diervriendelijke productie- en huisvestingsnormen, alsmede specifieke milieueisen. De Europese Unie vond en vindt het belangrijk om de eigen voedselvoorziening goed geregeld te hebben. Sinds 2006 zijn veel subsidies losgekoppeld van de bijbehorende productie en opgenomen in één bedrijfstoeslag.

2. Markt- en prijsbeleid

De EU voert een markt- en prijsbeleid om ervoor te zorgen dat de prijzen voor landbouwproducten niet te veel schommelen. Het markt- en prijsbeleid is het traditionele instrument van het GLB en is bedoeld om de prijzen van agrarische producten op een hoog niveau te houden. Twee instrumenten zijn voor handen: 1) exportsubsidies om kunstmatig de vraag naar producten hoog te houden, en 2) interventieprijzen om het aanbod kunstmatig laag te houden (EU koopt producten op). Markt- en prijsbeleid wordt steeds minder gebruikt omdat de noodzaak er niet meer is, het niet voldoet aan de regels van de WTO en het bovendien erg duur is.

3. Plattelandsontwikkeling

Het Europese plattelandsbeleid is er op gericht de groei en werkgelegenheid in de plattelandsgebieden te stimuleren en duurzame ontwikkeling te bevorderen. De plattelandsgebieden van de EU bestrijken meer dan 90% van het grondgebied van de Unie en er woont ongeveer 55% van de gehele bevolking van de Unie. Van oudsher richt het Europese plattelandsbeleid zich op het verbeteren van:

  • het concurrentievermogen van land- en bosbouw
  • het milieu en het platteland
  • de leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de economische bedrijvigheid.

De Nederlandse visie op het Europese Plattelandsontwikkelingsprogramma is uitgewerkt in een nationaal programma, het zgn. Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP). In tegenstelling tot de eerste pijler van het GLB is er binnen het POP ruimte voor de lidstaten om – binnen de Europese kaders – een eigen invulling te geven aan het plattelandsbeleid. Daar staat wel wat tegenover: in principe worden er alleen Europese subsidies uitgekeerd als Nederland daar zelf ook geld tegenover zet voor het platteland. Dit wordt cofinanciering genoemd.

Vernieuwingen in het GLB

Veel boeren in de EU krijgen een 'bedrijfstoeslag'. Tot 2003 was de inkomenssteun gebaseerd op de grootte of omvang van de productie. Hoe meer een boer produceerde, hoe meer steun hij kreeg. Dit zorgde voor overschotten op de Europese markt voor agrarische producten. Hervorming van het GLB was derhalve noodzakelijk.

In 2003 heeft een ingrijpende hervorming van het GLB plaatsgevonden. Naast de eerder genoemde loskoppeling van inkomenssteun aan de agrarische productie werd ook het vereiste van ‘cross compliance’ geïntroduceerd. D.w.z. de ontvangst van de volledige bedrijfstoeslag werd afhankelijk gesteld van het voldoen aan maatschappelijke randvoorwaarden, w.o. het naleven van wettelijke eisen voortkomend uit Europese richtlijnen en/of Verordeningen, alsmede het in goede landbouw- en milieuconditie houden van landbouwgrond.

Aansluitend heeft er in 2009 de zgn. Health Check plaatsgevonden. Dat resulteerde in een verdere verlaging van de primaire productiesteun die gedeeltelijk gecompenseerd kon worden door een groter budget voor maatschappelijk gewenste ontwikkelingen, w.o. akkerrandenbeheer en ander soortige initiatieven die leiden tot een verbetering van de biodiversiteit, waterkwaliteit, of bijdragen aan vermindering van klimaatverandering incl. het werken aan hernieuwbare energie. De recent overeengekomen vernieuwingen zetten deze koers voort en zijn er op gericht de landbouw nog milieuvriendelijker te maken, de inkomenssteun anders te organiseren, waarbij primair ook gelet wordt op werkgelegenheid en de laatste productieplafonds zullen worden beëindigd.

Op weg naar een nieuw GLB 2014 – 2020

Overgang naar betaling per hectare

Agrariërs die op basis van historische rechten in aanmerking komen voor toeslagrechten, ontvangen tot en met 2014 een bedrijfstoeslag. De bedrijfstoeslag was gebaseerd op betaalde subsidies in een referentieperiode, dus op historische betalingen. Vanaf 2014 gaat stapt men van dit historisch model over naar een betaling per hectare. Deze betalingen dienen te leiden tot:

  • versterking van concurrentiekracht, duurzaamheid en innovatievermogen van de landbouwsector
  • beloning voor extra prestaties op het gebied van natuur, landschap, diergezondheid en dierenwelzijn
  • bijdrage aan de voedselzekerheid.

Per 31 december 2014 vervallen de toeslagrechten. In 2015 komt er een nieuw systeem van rechten, namelijk de betalingsrechten, uitgaande van een gelijke betaling per hectare. Deze betalingsrechten worden in 2015 toegekend.

Voor wie

Om betalingsrechten te krijgen moet u voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • actief landbouwer zijn in 2015
  • subsidiabele landbouwgrond in gebruik hebben in 2015
  • een aanvraag indienen voor de toekenning van de betalingsrechten en voor de uitbetaling van de betalingsrechten in 2015.

Alleen onderstaande landbouwers komen hiervoor in aanmerking:

  • landbouwers die in 2013 een directe betaling vanuit het GLB hebben ontvangen. Hier valt onder andere de Bedrijfstoeslag onder
  • landbouwers die nooit toeslagrechten hebben gehad en kunnen bewijzen dat ze landbouwer waren in 2013
  • landbouwers die groente, fruit, wijndruiven, poot- en consumptieaardappelen, siergewassen of bollen teelden in 2013.

Bepaalde bedrijven met landbouwgronden worden uitgesloten, zoals luchthavens, waterbedrijven, spoorwegbedrijven, onroerendgoedbedrijven en sport- en recreatiebedrijven. Deze lijst kan nog uitgebreid worden.

Hoeveel

Het aantal betalingsrechten wordt hoogstwaarschijnlijk bepaald op basis van het aantal subsidiabele hectares landbouwgrond op 15 mei 2015. We kijken dus naar het feitelijk gebruik in 2015.

Waarde

De waarde van het betalingsrecht in 2019 is hoogstwaarschijnlijk voor iedereen gelijk. Tot die tijd is er een geleidelijk overgang. De waarde van het betalingsrecht in de overgangsperiode wordt gebaseerd op de waarde van historische toeslagrechten. Voor de berekening van deze waarde wordt 2014 als referentiejaar gebruikt. Daarnaast is het verplicht om te voldoen aan de vergroeningseisen. Dit levert een betaling op van ruim 100 euro per hectare.
Ook kunt u extra (top up) geld krijgen wanneer u een jonge landbouwer (jonger dan 41 bij de eerste aanvraag) bent.

Voorwaarden uitbetaling betalingsrechten

Betalingsrechten kunt u laten uitbetalen. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden

  • het gaat om een bedrag groter dan € 500
  • u bent actief landbouwer
  • u heeft subsidiabele landbouwgrond in gebruik. Het is nog niet duidelijk of hier ook een minimum oppervlakte voor geldt.

Daarnaast zijn er voorwaarden die, als er niet aan wordt voldaan, leiden tot een korting op de uitbetaling, zoals de vergroeningsvoorwaarden.

Vergroening

Om extra geld voor vergroening te krijgen en te voorkomen dat er gekort wordt op de uitbetaling van de betalingsrechten, moeten landbouwers voldoen aan de standaard vergroeningseisen: gewasdiversificatie en 5% ecologisch aandachtsgebied.

Ook landbouwers die voldoen aan een gelijkwaardige maatregel (equivalent) van vergroening krijgen geld voor vergroening. Eén gelijkwaardige maatregel is wanneer u biologisch landbouwer bent. Andere gelijkwaardige maatregelen kunnen door Nederland uit een lijst met goedgekeurde maatregelen gekozen worden of ter goedkeuring aan de Europese Commissie worden aangeboden.


Als een landbouwer voldoet aan een gelijkwaardige maatregel, dan gelden de standaard vergroeningseisen niet. U kunt snel zien of u in aanmerking komt voor vrijstelling van de eis van 5% ecologisch aandachtsgebied of van de gewasdiversificatie.

Blijvend grasland

Er geldt een ploegverbod voor natuurlijke graslanden in de Natura 2000-gebieden. Deze mogen niet omgezet worden in bouwland. Daarnaast mag de oppervlakte blijvend grasland in Nederland niet meer dan 5% dalen ten opzichte van de referentieoppervlakte, gebaseerd op 2012. Dit wordt landelijk in de gaten gehouden. Als de oppervlakte daalt onder deze 5%, dan moet Nederland maatregelen nemen om er voor te zorgen dat de oppervlakte blijvend grasland weer op niveau komt. Er wordt dan een ploegverbod ingesteld. Ook moeten landbouwers die blijvend grasland hebben omgezet naar bouwland ervoor zorgen dat dit wordt teruggedraaid.

Gewasdiversificatie

Wanneer een landbouwer 10 hectare bouwland of minder heeft, dan hoeven er geen verschillende gewassen verbouwd te worden. Als een landbouwer meer dan 10, maar minder dan 30 hectare bouwland heeft, dan moeten er minstens twee gewassen geteeld worden. Het grootste gewas mag maximaal 75% van de oppervlakte beslaan. Als een landbouwer meer dan 30 hectare bouwland heeft, dan moeten er minstens drie gewassen geteeld worden. Het grootste gewas mag maximaal 75% van de oppervlakte beslaan en de twee grootste gewassen samen maximaal 95%. Als de oppervlakte voor minstens 75% uit (blijvend en tijdelijk) grasland bestaat en de landbouwer heeft minder dan 30 hectare bouwland, dan heeft hij aan deze eis voldaan.

U kunt snel zien of u in aanmerking komt voor vrijstelling van de eis van de gewasdiversificatie.

Extra vrijstelling

Ook is er nog een extra vrijstelling: een landbouwer die op jaarbasis meer dan 50% van zijn totale oppervlakte bouwland met andere landbouwers ruilt, voldoet ook aan de gewasdiversificatie. Hij moet dan wel aantonen dat op elk perceel van zijn bouwland een ander gewas wordt geteeld dan het vorige kalenderjaar. Het is nog niet bekend wat allemaal als een apart gewas wordt gezien. In elk geval worden wintergraan en zomergraan als verschillende gewassen beschouwd.

5% ecologisch aandachtsgebied

Bij meer dan 15 hectare bouwland moeten landbouwers voldoen aan de voorwaarde van 5% ecologisch aandachtsgebied. Hierbij telt de oppervlakte van meerjarige gewassen niet mee. Op bouwland moet 5% van de oppervlakte bestemd zijn voor ecologisch aandachtsgebied waarop geen agrarische productie plaatsvindt. Welke oppervlaktes hiervoor meetellen is nog niet duidelijk, Nederland moet hier nog keuzes in maken. Landbouwers met een oppervlakte die bestaat uit minstens 75% (blijvend en tijdelijk) grasland en met maximaal 30 hectare bouwland, voldoen aan deze eis. Als er niet wordt voldaan aan de vergroeningsvoorwaarden dan worden de betalingen gekort.

U kunt snel zien of u in aanmerking komt voor vrijstelling van de eis van 5% ecologisch aandachtsgebied.

Extra geld voor jonge landbouwers

Jonge landbouwers kunnen een extra bedrag in het betalingsrecht krijgen. Dit krijgen ze als ze jonger zijn dan 41 jaar in het jaar van de eerste aanvraag van jonge landbouwer. Nederland kan nog aanvullende voorwaarden stellen. Ze krijgen dan maximaal vijf jaar een extra bedrag als top-up.

Afbouwen productiebeperking

Om de productie van bepaalde producten te beperken, is er in het verleden een aantal maatregelen ingesteld, zoals het melkquotum. Deze maatregelen worden in de komende jaren afgebouwd.


Zo wordt op 1 april 2015 het melkquotum afgeschaft. Vanaf dat moment is het quotum dus geen beperkende factor meer voor het produceren van melk. De Europese suikermarktverordening houdt in 2017 op te bestaan, met het gevolg dat het suikerquotum verdwijnt. Vanaf 2017 is de teelt van suikerbieten dus niet meer gebonden aan een suikerquotum.

Beslispunten Nederlands landbouwbeleid

Het Europese akkoord bevat kaderregels. Vervolgens kan iedere lidstaat zelf invulling geven aan het nationale landbouwbeleid, natuurlijk binnen de Europese regels. Voor het Ministerie van Economische Zaken zijn de belangrijkste onderwerpen die in de eerste maanden van 2014 concreet worden gemaakt:

1. Invulling overgangsmaatregelen
Voor de invulling moeten nog meerdere keuzes worden gemaakt. Bijvoorbeeld: Waarop wordt de compensatie gebaseerd? Hoe snel daalt de waarde van de betalingsrechten voor ondernemers die veel geld ontvangen? En hoe snel stijgt het bedrag voor ondernemers die nu weinig ontvangen?

2. Welke gronden wel/niet in het systeem?
Nederland beraadt zich over welke gronden mee mogen doen in het nieuwe stelsel van betalingsrechten. Er komen heldere criteria voor gronden die wel en gronden die niet meetellen voor (het uitbetalen van) de betalingsrechten.

3. Definitie actieve landbouwer
Er zijn al criteria voor het begrip ‘landbouwer’. Deze criteria worden mogelijk aangescherpt met een verplichte inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

4. Invulling vergroening
Een verplicht onderdeel in het nieuwe GLB is de vergroening. Een groot aantal bedrijven is op basis van hun huidige bedrijfsvoering vrijgesteld van de maatregelen en krijgt een vergroeningsbetaling. De vergroening bevat vele nationale keuzes in de detailuitwerking. Twee belangrijke zijn:
- Wat zijn ecologische aandachtsgebieden?
- Komen er alternatieve mogelijkheden?

5. Invulling jonge landbouwerssteun
Steun aan jonge landbouwers is een verplicht onderdeel in het nieuwe GLB. Nederland kan zelf kiezen waar deze jonge landbouwers aan moeten voldoen en hoe de hoogte van de steun wordt berekend.