1. Leren van monumentenzorg


Prof. mr. Pieter van Vollenhoven heeft op verzoek van toenmalig staatssecretaris Sharon Dijksma zijn kennis en ervaring in de monumentenzorg vertaald naar de natuursector. Hij pleit in zijn advies van februari 2014 voor een eenvoudige indeling van rijks-, provinciale en gemeentelijke natuurmonumenten, naar analogie van stenen monumenten. Daarnaast adviseert hij fiscaal stimulerend beleid voor (verenigingen van) eigenaren. Want eigenaren investeren zelf in hun bezit en hebben dus minder subsidie nodig, blijkt uit ervaring in de monumentenzorg. Bovendien wil Van Vollenhoven, net als in de monumentenzorg, een grote rol voor laagrentende leningen uit een revolverend fonds. Dat telkens weer gebruikte overheidsgeld heeft een veel groter effect dan een eenmalige subsidie.

2. Leren van cultuur, onderwijs en zorg


Een soortgelijk onderzoek deed de Kwink Groep, een adviesbureau voor maatschappelijke vraagstukken, in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving, maar hier keken de onderzoekers naar meer en grotere sectoren. Kwink onderzocht de succes- en faalfactoren van 21 verdienmodellen en organisatievormen in de sectoren cultuur, onderwijs en zorg. Kwink verkende ook de toepasbaarheid voor natuur. Het rapport verscheen op 12 februari 2015.

Het gaat om voorbeelden op vier terreinen:

  1. Vermarkten van bijproducten. Een voorbeeld is Van Gogh Museum Consultancy: het museum vermarkt zijn expertise via betaalde adviesopdrachten.
  2. Activering van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Een voorbeeld is de mogelijkheid tot financieel adopteren van een object bij museum Boerhaave, waarbij de gever een tegenprestatie ontvangt.
  3. Intelligent opgezette samenwerkingsconstructies. Een voorbeeld is de introductie van het Hofvijver Passe-partout door samenwerkende culturele instellingen in Den Haag.
  4. Het aanboren van alternatieve financieringsbronnen en manieren om kosten te besparen. Een voorbeeld zijn broodfondsen als alternatieve verzekeringsvorm voor ondernemers. Is een dergelijk broodfonds denkbaar voor kwetsbare natuur?

Kwink ontwikkelde ook een handvat waarmee natuurorganisaties en hun stakeholders zelf verdienmodellen kunnen selecteren en uitwerken. Het rapport besluit met: ‘De noodzaak voor natuurorganisaties om additionele inkomstenbronnen te creëren en kosten te besparen enerzijds en de versplintering van natuur anderzijds dwingen natuurorganisaties om op zoek te gaan naar rendabele manieren van samenwerken met andere natuurorganisaties, of met betrokkenen uit de regio.’ Zie: KWINK groep – Voorstudie Geld voor en met natuur leren van andere sectoren en het bijbehorende nieuwsbericht

3. Meer steun voor ondernemerschap in cultuur- dan natuursector


Natuurondernemers krijgen minder steun van het Rijk dan cultuurondernemers, stelt Henne Haagsman van bureau Groen Geregeld, naar aanleiding van een rapport van Innovatie Agro & Natuur. Het ministerie van  OC&W investeert circa €3,3 miljoen per jaar in cultuurondernemerschap. Bovendien ondersteunt het Rijk het geven aan culturele goede doelen met een extra fiscaal voordeel, in de hoop meer geefgeld beschikbaar te maken voor deze sector. Voor de natuursector is er geen vergelijkbare compensatie vormgegeven vanuit de overheid. Het Rijk stimuleert dus de geefcultuur en het ondernemerschap in de cultuursector, maar niet in de natuursector.
Verder blijkt de natuursector minder succesvol in het bereiken van vermogensfondsen dan de cultuursector. Meer creativiteit met oog voor de veranderende maatschappelijke thema’s als gezondheid, groen en maatschappelijk verantwoord ondernemen kan de natuursector helpen met meer succesvollere aanvragen bij andere financiers, aldus Henne Haagsman. Opmerkelijk is ook dat de natuursector geen bekende ambassadeurs kent. Uit de cultuursector zien we vaker toonaangevende personen zich mengen in een kwestie of bekende Nederlanders die hun ervaringen delen over een tentoonstelling of voorstelling. Natuurorganisaties moeten op zoek naar geschikte ambassadeurs: mensen die met verve natuur op de maatschappelijke agenda weten te zetten.
Concluderend schrijft Haagsman dat natuurorganisaties dus meer moeten samenwerken om hun stem te laten horen richting overheid en politiek. Meer aandacht kan leiden tot grotere steun van het brede publiek, zowel van burgers als van vermogenden. Zie: linkedin.com/pulse/groen-geven-kan-het-nog-meer-worden-henne-haagsman.

4. Radicaal ander plattelandsbeleid


Laat het landbouwareaal teruggaan van 54% nu naar 32% straks, en voer een eenvoudige belasting in op bestrijdingsmiddelen, antibiotica, kunstmest en geïmporteerd veevoer. Dat radicale plattelandsbeleid bepleit Frank Berendse, hoogleraar Natuurbeheer en plantenecologie, adviseur kabinet en Europese Commissie over bestrijdingsmiddelen en natuurbeleid in zijn essay ‘Wilde Apen. Natuurbescherming in Nederland’, KNNV 2016.
Berendse pleit voor schone landbouw waarvoor ook plaats is in regionale Natuurnetwerken die zich ontwikkelen tot “een prachtig houtwallenlandschap in de Achterhoek en Twente, en weidegebieden in Noord-Holland en Friesland waar weidevogelreservaten afwisselen met de weiden van gewone boeren.” Financiering van die natuurnetwerken komt van “Regionale beheerfondsen waaraan niet alleen overheid en natuurorganisaties meebetalen, maar ook burgers en bedrijven.”
Zo’n nieuw plattelandsbeleid kan 70% van onze wilde soorten een duurzame toekomst geven. Het tweede deel van dit nieuwe plattelandsbeleid moet, volgens Berendse, bestaan uit een belastingheffing op de inkoop van gif, antibiotica, kunstmest en geïmporteerd veevoer. In plaats van ingewikkelde milieuregels en controlerende landbouwinspecteurs, leveren de veevoerhandel en chemiebedrijven de gegevens direct aan de belastingdienst, zoals hypotheekaanbieders dat al doen. Het aantal hectares haalt de Belastingdienst op bij het Kadaster, aldus Berendse.

Prof. Frank Berendse verwacht dat zijn voorstel houtwallen, zoals deze in Frankrijk, terug brengt in het Nederlandse landschap. Foto: Henk Jan van der Klis / Flickr