Algemene schets


Eeuwenlang is grondbezit verdeeld over overheden, kloosters, particulieren en collectieven in allerlei vormen, zoals marken en gemeynten. Gegoede boeren en burgers beginnen al in de middeleeuwen met de aanleg van landgoederen. Zij halen inkomsten uit vele bronnen zoals agrarische pacht en houtproductie. Veel landgoederen kennen oude rechten zoals jachtrecht, havenrecht, tolrecht, windrecht, het recht tot innen van belastingen en het recht om recht te spreken. Deze zogenaamde 'heerlijke rechten' vormen, naast land- en bosbouw, de bedrijfseconomische pijlers van landgoederen.

Al voor de achttiende eeuw beginnen rijke stedelingen met de aanleg van buitenplaatsen langs de Vecht en in de strook achter de duinen tussen Wassenaar en Bloemendaal, maar ook elders in het land. Een deel van de eigenaren besluit dat de buitenplaatsen zichzelf moeten bedruipen en koopt daartoe extra grond voor land- en bosbouw.

In de negentiende eeuw gaan particulieren woeste gronden - zoals heide, hoogveen en laagveen - ontginnen voor graanteelt en houtproductie. Zij kopen op grote schaal domeingronden van de rijksoverheid, die deze inkomsten goed kan gebruiken vanwege de grote staatsschulden die in de Franse tijd zijn ontstaan. Een groeiende vraag naar mijnhout en looistof uit eikenschors voor de leerindustrie versterkt de bebossingstrend. Door de opkomst van kunstmest en de concurrentie van goedkope Australische wol vervalt de economische basis onder het gebruik van woeste grond voor de schapenhouderij. De regelingen voor het gemeenschappelijk gebruik van de woeste grond in de vorm van marken, malen en gemeynten, die zijn ontstaan in de middeleeuwen, verdwijnen, mede als gevolg van nieuwe wetten.

Particulieren bezitten aan het einde van de negentiende eeuw vrijwel alle bos en wat er nog over was van de woeste grond. Begin twintigste eeuw groeit de rol van de overheid, die zich in de negentiende eeuw juist geheel had teruggetrokken uit het bosbeheer. Staatsbosbeheer gaat productiebossen aanleggen. De vereniging Natuurmonumenten, mede opgericht door landgoedeigenaren, begint bijzondere natuur te kopen en te beheren.

Vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw daalt de houtprijs als gevolg van mijnsluitingen. Ongeveer tegelijk stijgen de lonen snel. Voor Staatsbosbeheer en veel landgoederen valt daardoor de belangrijkste inkomstenbron weg. Een andere trend treft vooral de landgoederen: onder invloed van technologische ontwikkelingen en marktwerking in Europa krijgt schaalvergroting en daarmee ruilverkaveling greep op de landbouw. Vanwege hun kleinschalige landbouw vallen voor veel landgoedeigenaren de landbouwinkomsten terug. Velen verkopen hun bezit aan terreinbeherende organisaties (TBO’s) zoals Natuurmonumenten en provinciale Landschappen. In diezelfde tijd wordt de opvatting steeds algemener dat natuur een collectief goed is en dat het een taak van de overheid is deze te borgen. Het Rijk subsidieert daarom een steeds groter deel van de aankoop en het beheer door Natuurmonumenten en de provinciale Landschappen. Het onderscheid met particulieren schrapt het Rijk vanaf 2012. De provincies kiezen in 2014 alle twaalf voor een koers van gelijkberechtiging.

Tegenwoordig is nog bijna de helft van het Nederlandse bos particulier bezit. Buitenlui, burgers met kleine stukjes grond, beschikken over 13 procent van alle bos. Als we de eigenaren van meer dan 5 hectare erbij tellen, blijkt ruim 45 procent van het bos in particuliere handen. Het bosbezit blijkt sterk versnipperd: 83% van alle bosbezit is 0,5 tot 5 hectare groot. Het Kadaster telt in 2009 in opdracht van de stichting Landschapsbeheer Nederland 168.330 buitenlui met bos, natuur, weides, tuin en erf, die samen 272.144 hectare bezitten.

In vergelijking met grote en omringende landen scoort Nederland laag met particulier bosbezit. Vergeleken met 1979 stijgt in zeven Europese landen het aandeel particulier bosbezit. In Nederland en België daalt het aandeel juist. In Frankrijk lijkt de stijgende trend in particulier bezit te stabiliseren op 72%.

In Europese landen blijkt het begrip voor beschermde landschappen en natuurgebieden bij de lokale bevolking enerzijds te ontstaan door gewenning aan de duidelijke aanwijzing van gebieden, anderzijds doordat zij de voordelen van de beschermde status herkent. De wettelijke verankering van het beleid voor beschermde landschappen in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland zorgt voor continuïteit.  Het Verenigd Koninkrijk volgt met de National Trust een centralistische benadering. In Duitsland en Frankrijk is er juist veel aandacht voor het creëren van draagvlak en betrokkenheid van onderop. Vooral in de Franse regionale natuurparken (Parcs Naturel Regionaux) zijn particulieren sterk betrokken, onder meer in de vorm van Verenigingen van Eigenaren die verantwoordelijkheid voor natuur en landschap dragen en zich actief bezighouden met beheer en exploitatie. Deze verenigingen werken samen met gemeenten. De particuliere verantwoordelijkheid voor natuur en landschap wordt in Frankrijk sterk bevorderd door overheidsbeleid, onder andere met fiscale maatregelen. In Nederland neemt bij het agrarisch natuurbeheer het belang van coöperaties toe.

Overige natuur in Nederland, dus geen bos, is vooral in handen van TBO’s. Cijfers over het particulier bezit van heide, hoog- en laagveen zijn vrijwel niet te vinden. Wel tonen cijfers uit 2010 van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dat ongeveer 9 procent van het totale areaal van landgoederen (125.000 hectare) ligt binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS, Ecologische Hoofdstructuur). Landgoedeigenaren beheren daarmee bijna 20 procent van het totale NNN. Dit aandeel is iets groter dan bijvoorbeeld Natuurmonumenten (circa 105.000 hectare) en de provinciale Landschappen (circa 110.000 hectare).

Landgoed Ampsen bij Lochem.