alleen voor FPG-ledenDit hoofdstuk is voor u niet geheel zichtbaar, omdat u niet bent ingelogd.
Inloggen kunt u in de linker kolom bij Mijn FPG.
Bent u FPG-lid en heeft u nog geen inlogcode of kunt u anderszins niet inloggen? Neem contact op!

Nieuws dossier NSW

"Landgoed in fiscale zin een doolhof"

dhr. L.G.M. Stevens (bron: beeldbank SER)
dhr. L.G.M. Stevens (bron: beeldbank SER)

Op een onbewaakt moment zegde ik toe een gastcollege te geven over de fiscale positie van landgoederen. Een mooie aanleiding weer eens door de bijzondere omgeving van deze (ook fiscale) buitengebieden te struinen. Nou, dat heb ik geweten. Zelden een terrein betreden dat zo is overwoekerd door stekelige fiscale regels.

De bijzondere fiscale positie van landgoederen vloeit voort uit het besef dat het behoud van natuurschoon en landgoederen maatschappelijk belangrijk is. Bedreigende factoren moeten onschadelijk worden gemaakt. Vooral de erf- en schenkingsbelasting maakte het steeds moeilijker de landgoederen als eenheid in stand te houden. Om schadelijke versnippering terug te dringen zijn er voor het behoud van de landgoederen in particulier bezit en het steeds schaarser wordende natuurschoon binnen deze belastingen bijzondere vrijstellingen ingevoerd. Daarbij gelden gerichte instandhoudings- en bezitsvoorschriften. Om het maatschappelijke belang te markeren wordt voor enkele van deze fiscale tegemoetkoming als tegenprestatie verlangd dat de landgoederen voor het publiek moeten worden opengesteld.

In de loop van de tijd zijn de voorwaarden waaraan landgoederen moeten voldoen regelmatig aangepast. Vaak was dit het gevolg van gewijzigde inzichten over bedoeld en onbedoeld gebruik van de vrijstelling. De meeste voorwaarden zijn vastgelegd in de Natuurschoonwet (NSW), maar ook in de WOZ zijn voor landgoederen aparte waarderingsvoorschriften opgenomen. Naast faciliteiten in de erf- en schenkbelasting kennen we nog tegemoetkomingen in de overdrachtsbelasting en de inkomsten- en vennootschapsbelasting. De verlaagde WOZ-waardering werkt door in de OZB, het eigenwoningforfait en de waterschapsbelasting.

Dit doolhof van regels dreigt het zicht op het uiteindelijke doel van de fiscale tegemoetkoming te belemmeren. De diversiteit in de nogal specifieke - en soms arbitraire - voorwaarden vergroot het risico op een te rigide, en daardoor contraproductieve, interpretatie. Een landgoedeigenaar ervoer dat aan den lijve. Op een deel van het landgoed ligt een verhuurd golfcomplex. Uit de parlementaire geschiedenis is af te leiden dat - naast een reeks van vereisten over oppervlakte, aard van het natuurschoon en openstelling - de NSW-vrijstelling in de vermogensrendementsheffing slechts van toepassing is bij volle eigendom. Volgens de inspecteur was wegens de verhuur daaraan niet meer voldaan. De landgoedvrijstelling werd geweigerd. Uiteindelijk besliste de Hoge Raad in juni van dit jaar dat een huurrecht geen inbreuk maakt op de eigendom van de grond en ook anderszins geen sprake is van een constructie met een beperkt recht waarvoor de vrijstelling niet is bedoeld. De vrijstelling was ten onrechte afgewezen.

Een ander actueel knelpunt betreft de hoogte van de vermogensrendementsheffing. De ongebouwde grond van landgoederen is van deze heffing vrijgesteld, maar de gebouwen zijn belast voor een forfaitair rendement van 4%, terwijl het feitelijk genoten rendement van het landgoed vaak niet uitkomt boven nul procent. Deze fictiebepaling in de vermogensrendementsheffing geldt onder bepaalde voorwaarden ook voor aandeelhouders van de zogenoemde landgoed-bv’s. In de inkomstenbelasting is namelijk een ‘doorkijkbepaling’ opgenomen. Die houdt in dat de bezittingen en schulden, alsook het ondernemingsresultaat van dergelijke bv’s, worden toegerekend aan de aandeelhouders. Deze doorkijkregeling is beoogd als een tegemoetkoming voor landgoed-bv’s, maar werkt bij lage rendementen juist averechts.

Vanaf 2017 wordt dit probleem nog nijpender. Dan wordt de aanvullende fictie van kracht dat hogere vermogens een hogere beleggingsopbrengst genereren. De algemene kritiek op deze nieuwe fictie geldt in versterkte mate voor landgoedeigenaren. Een groter landgoedvermogen betekent immers geen hoger rendement. Beter is het daarom de verplichte doorkijkbepaling optioneel te maken. Vaak is het aantrekkelijker de landgoed-bv te belasten volgens de vennootschapsbelasting die uitgaat van het werkelijk genoten rendement. Tijd om het landgoederenregime weer eens op te schonen.

NOOT: Leo Stevens is em. hoogleraar fiscale economie van de Erasmus Universiteit Rotterdam

Zie ook: 'Vermogensrendementsheffing knelpunt voor landgoedeigenaren' (GroeneRuimte 15-09-2016)