Onderzoek naar ecosysteemdiensten

  • Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft de waarde van ecosysteemdiensten becijferd in een pilot voor de dijkversterking Eemshaven-Delfzijl. Als in dat gebied een tweede dijk wordt aangelegd, biedt dat kansen voor een tussenzone met brak water. Daarin is plaats voor kokkelteelt met een geschatte jaaropbrengst van €6500 tot €32.000 per hectare, zilte landbouw met een mogelijke opbrengst van €3500 tot €6500 per hectare. De dubbele keringszone gaat werken als slibmotor. Kleiwinning kan €3000 per hectare opleveren, met als bijkomend voordeel dat klei niet langer uit Estland hoeft te worden aangevoerd. Deze slibmotor kan ook de waterveiligheid verhogen.

  • Uit een studie voor de Europese Commissie blijkt dat beschermde gebieden voor €300 miljard per jaar aan ecosysteemdiensten leveren. Dat komt overeen met 2 tot 3% van het Europese BBP (bruto binnenlands product). De lidstaten besteden per jaar slechts €6 miljard aan het behoud en herstel van natuur. De winst is dus groot. De studie is uitgevoerd door een groep onderzoekers onder leiding van denktank IEEP. De resultaten van een paar dozijn studies in een beperkt aantal lidstaten, werd opgeschaald naar Europees niveau. In de analyse waren alleen de ramingen voor toerisme en de vastlegging van CO2 betrouwbaar, maar dat gold bijvoorbeeld niet voor waterzuivering. Natura 2000-gebieden houden 9,6 miljard ton koolstof vast. Deze koolstof loslaten, leidt tot een schade van €600 tot €1130 miljard. Bron: The economic benefits of Natura 2000 Network. Zie: ec.europa.eu/environment/nature/natura2000/financing/docs/ENV-12-018_LR_Final1.pdf

  • Een opmerkelijke poging om de waarde van ecosysteemdiensten in euro’s uit te drukken komt uit het Vakblad Natuur Bos Landschap van februari 2014. Voor het Nationale Park De Hoge Veluwe ontstaat een totale waarde van €1955 per hectare per jaar en de volgende ranglijst: (1) Recreatie met €504 (2) Luchtzuivering met €380 (3) Grondwaterinfiltratie met €355 (4) Houtoogst met €118 (5) Jacht en wildbraad met €32 en (6) Koolstofvastlegging met €6. De biodiversiteitswaarde kon niet worden vastgesteld. Bron: ‘Economic benefits generated by protected areas: the case of the Hoge Veluwe forest, the Netherlands’, L. Hein, Ecology and Society. Zie: ecologyandsociety.org/vol16/iss2/art13

  • Een andere poging doet CE Delft. Voor de Royal Society for the Protection of Birds (RSPB) onderzoekt CE Delft de sociaaleconomische meerwaarde van drie natuurgebieden: Grevelingen, Het Zwin en Waterdunen. Die bestaat bijvoorbeeld uit energiewinning, visserij, recreatie, waterberging en –veiligheid, CO2-reductie en werkgelegenheid. Het onderzoeksbureau kijkt ook naar de mogelijkheden om deze waarde te verzilveren, waardoor nieuwe financieringsbronnen ontstaan voor het beheer van deze natuurgebieden.

  • Als voorbeeld van een boer die ecosysteemdiensten levert, presenteerde het Planbureau voor de Leefomgeving tijdens zijn eindsymposium op 19 mei 2016 in Utrecht, Jan Dirk van de Voort: “Met biodiversiteit is een product moeilijk te vermarkten, met smaak kan dat wel”, zei Van de Voort. Hij produceert Remeker rauwmelkse kaas op zijn biologisch bedrijf van vijftig hectare in Lunteren, in de Gelderse Vallei, met 50 Jersey melkkoeien. Remeker is een oude veldnaam, verwijzend naar een perceel omzoomd door eiken houtwallen. Van de Voort gebruikt geen antibiotica, onthoornt zijn koeien niet, kalfjes blijven lang bij de koe en grazen in een kruidige wei. “De basis van ons bedrijf is natuurlijk bodembeheer”, verklaart Van de Voort. Net als feta kaas en Opperdoezer aardappelen draagt Remeker het Europese keurmerk voor traditionele specialiteiten. “Een onmisbare bescherming tegen valse concurrentie”, stelt Van de Voort. Een andere sleutelfactor voor het succes noemt hij de Remeker Coöperatie. “Bij de bank krijg ik moeilijk geld los om te investeren in innovaties, maar onze afnemers zien dat wel zitten. Via de coöperatie beleggen zij in de onderneming.” Zijn kazen gaan naar horeca en kaaswinkels. De Duitse biomarkt neemt veel af. De kostprijs van een liter melk ligt bij Van der Voort op €1,60; de marktprijs op €2. Ook met educatie verdient hij geld. Bron: verslag eindsymposium Natuurlijk Kapitaal 19 mei 2016 Utrecht. Zie: remeker.nl.

In dit hoofdstuk staan meer maatschappelijke diensten van natuur zoals manieren om de levenscirkel compleet te maken door begraven in de natuur en zo bij te dragen aan de instandhouding. Zie ook: ce.nl/publicatie/economische_waardering_en_verzilvering_van_ecosysteembaten_in%3Cbr%3Enatura_2000-gebieden_in_europa/1319

1. De waarde van groen en water


Internationaal wordt hard gewerkt aan de mogelijkheden om de inkomsten van ecosysteemdiensten terecht te laten komen bij de eigenaren van die natuur. Ook in ons land. Het ministerie van Economische Zaken heeft een rekenmodule ontwikkeld die de economische waarde toont van groen en water in de stad, van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, zodat gemeenten groen en water beter in hun beleidsbeslissingen kunnen meenemen. Zie: teebstad.nl.

Het instrument TEEB-stad geeft antwoord op de vraag wat een investering in groen oplevert. De tool berekent bijvoorbeeld het effect van de aanleg van een park op de stijging van WOZ-waarden en het effect van groene daken op energiebesparing en waterberging. TEEB-stad maakt ook duidelijk welke partijen profijt hebben, de baathouders. De berekeningen kunnen de basis vormen voor gesprekken met baathouders over hun financiële bijdrage. De tool geeft iedereen inzicht in de waarde van groen en water in de stad, zoals gemeenteambtenaren, maatschappelijke organisaties, gebiedsontwikkelaars, stedenbouwers, groenondernemers en bewonersorganisaties.

TEEB, The Economics of Ecosystems and Biodiversity is een internationale studie naar de economische betekenis van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, geïnitieerd door de Verenigde Naties. Ook Nederland doet hieraan mee met het landelijke programma TEEB NL. Voor dit landelijke programma is een aantal studies uitgevoerd, waaronder TEEB-stad. De studie TEEB-stad startte in 2011 met elf gemeenten: Almelo, Amsterdam, Apeldoorn, Delft, Den Haag, Deventer, Eindhoven, Haarlem. Heerlen, Rotterdam en Zwolle. Zij leverden projecten waarop ingenieursbureau Witteveen+Bos maatschappelijke kosten-batenanalyses toepaste. De resultaten staan in de publicatie ‘Groen loont met TEEB-stad’ (2012). Een belangrijke conclusie uit deze studie is dat de verwachte maatschappelijke baten van groen en water 1,5 tot 2 keer hoger zijn dan de maatschappelijke kosten. Zie: rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2012/09/20/teeb-stad.

  • Drie voorbeelden van toepassingen van de TEEB stad tool: (1) De investering in een groene gevel van V&D Eindhoven zou in vier maanden terugverdiend zijn door toename van de winst. Maar V&D gaf andere investeringen voorrang. (2) Aanleg van een park in de nieuwe wijk Zuidbroek te Apeldoorn stimuleert de woningverkoop. Omdat het woongenot toeneemt, stijgt de WOZ-waarde van bestaande huizen en de verkoopwaarde van nieuwbouw. Gemeente en ontwikkelaars hebben belang bij het park. Nu nog de ontwikkelaars verleiden tot investering, aldus de Apeldoornse wethouder Olaf Prinsen, tevens voorzitter van de Green Deal Duurzaamheid van stedennetwerk G32. (3) Almelo ziet besparingskansen door het planten van bomen te combineren met het vervangen van kabels en leidingen. Zie: teebstad.nl, degroenestad.nl en omgevingseconomie.nl.

  • De Bethunepolder, een 535 hectare groot natuurgebied ten noorden van de stad Utrecht, levert 30% van het Amsterdamse drinkwater. Bij een prijs van €1 per m3 drinkwater levert de Bethunepolder een dienst ter waarde van €25 miljoen per jaar. Het water wordt eerst gefilterd in het zand van de Utrechtse Heuvelrug en komt als kwelwater in de Bethunepolder. Bron: De Triple-O aanpak. Ecosysteemdiensten in de praktijk van duurzaam bodembeheer & gebiedsontwikkeling. Uitgave Consortium Ecosysteemdiensten in de praktijk van duurzaam bodembeheer & gebiedsontwikkeling. In opdracht van het ministerie van I&M en Agentschap.NL. Zie: rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Wetenschappelijk/Wetenschappelijke_artikelen/2012/maart/De_Triple_O_aanpak_Ecosysteemdiensten_in_de_praktijk_van_duurzaam_bodembeheer_en_gebiedsontwikkeling

  • Vlaanderen heeft een eigen instrument ontwikkeld om de waarde vast te stellen van ecosysteemdiensten, de Natuurwaardekenner. Het belang van bossen kan worden uitgedrukt in euro’s dankzij een tool van de Universiteit van Antwerpen en onderzoeksinstelling VITO. Het instrument kan de waarde van ecosysteemdiensten zoals koolstofopslag, luchtzuivering, waterbuffering maar ook afkoeling, rust en ontspanningsmogelijkheden becijferen. Het adviesbureau voor bos- en natuurbeheer Landmax uit het Belgische Turnhout maakt van de Natuurwaardekenner gebruik. Landmax helpt overheden en particuliere eigenaren bij hun natuurbeheer onder meer om vergunningen en subsidies in orde te krijgen en de houtproductie te optimaliseren. Het bureau helpt ook zoeken naar grond om een compensatiebos te planten als er in projecten bossen gekapt worden. De Natuurwaardeverkenner blijft in ontwikkeling. De tool is te gebruiken via de website die er voor is opgezet. Bron: VILT, 09/10/17.

2. Ecosysteemdiensten in Atlas Natuurlijk Kapitaal

 

Het RIVM lanceert de website Atlas Natuurlijk Kapitaal om overheden, bedrijven en burgers te helpen het natuurlijk kapitaal in Nederland beter te beheren en te benutten. De Atlas Natuurlijk Kapitaal brengt de ecosysteemdiensten die de natuur levert systematisch in kaart.
De website Atlas Natuurlijk Kapitaal beschikt over ruim honderd kaarten die in beeld brengen waar het natuurlijk kapitaal voorkomt. Om de gebruikers te helpen geeft de Atlas Natuurlijk Kapitaal praktijkvoorbeelden die laten zien hoe het beschikbare natuurlijk kapitaal beter gebruikt kan worden. Zo zijn er voorbeelden te vinden over natuurlijke ziekte- en plaagregulatie in de landbouw of om de regenwaterafvoer in de stad te verbeteren.

De Atlas Natuurlijk Kapitaal is onderdeel van het uitvoeringsprogramma ‘Van Afval Naar Grondstof’ van het ministerie van Infrastructuur & Milieu én van de Nederlandse uitwerking van de Europese biodiversiteitsstrategie. Bron: RIVM/Wageningen UR, 22/09/15.

Als kritiek op dit project geldt het abstractieniveau en de beperkte toepasbaarheid van de verzamelde gegevens voor inkomstenbronnen en kostenbesparingen. Daar staat tegenover dat de gebruikte begrippen veel voorkomen in talloze documenten met overheidsbeleid. Bij subsidies worden de kansen groter als de aanvrager laat merken thuis te zijn in dit jargon. Zie: clo.nl/indicatoren/nl1572-goederen-en-diensten-van-ecosystemen-in-nederland-?i=19-75

Het is gebruikelijk de goederen en diensten van ecosystemen onder te verdelen in (1) het voorzien in goederen, zoals hout; (2) het reguleren van processen, zoals het zuiveren van water en (3) het leveren van culturele diensten, zoals ruimte voor groene recreatie, aldus het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Klimaatverandering vergroot de vraag naar ecosysteemdiensten als waterberging, kustbescherming, verkoeling in de stad, koolstofvastlegging en erosiebestrijding. De vraag naar erosiebestrijding nam ook toe door de intensiverende landbouw. De vraag naar voedsel is toegenomen door de toename van de bevolking en de verandering in consumptiepatronen. De vraag naar groene recreatie is gegroeid omdat de bevolking is toegenomen en meer vrije tijd tot haar beschikking kreeg als gevolg van vergrijzing.
Naast de groeiende vraag, groeit ook het aanbod van sommige ecosysteemdiensten, zoals bij de levering van voedsel en energie. Afnames treden op bij de levering van drinkwater en niet-drinkwater (voor huishoudelijk gebruik zoals wassen, irrigatie in de landbouw en de industrie) en in de categorie regulerende diensten: bodemvruchtbaarheid, koolstofvastlegging en plaagonderdrukking. Deels hebben deze afnames te maken met intensivering van de landbouw.

De vraag naar sommige ecosysteemdiensten kan ook worden vervuld door import of inzet van techniek. Voedsel, hout en biomassa voor de opwekking van energie zijn goederen die transporteerbaar zijn en worden geïmporteerd om in onze behoefte te voorzien. Voedsel voor consumptie in Nederland wordt voor circa 30% geïmporteerd. Hout voor meer dan 90%. Ook een flink deel van de biomassa die wordt gebruikt voor de opwekking van energie wordt geïmporteerd. Daarmee wordt beslag gelegd op natuurlijk kapitaal buiten Nederland.

Bij de regulerende en culturele diensten is import meestal geen optie. Ze moeten geleverd worden op de plaats waar de vraag naar de diensten bestaat. De levering van verschillende regulerende diensten is ook mogelijk door inzet van techniek. Zo beschermen dijken (in plaats van duinen) de kust, bestrijden we plagen met gewasbeschermingsmiddelen (in plaats van door natuurlijke vijanden) en laten imkers hun bijenvolken of gekweekte hommels gewassen bestuiven (in plaats van door wilde bestuivers).

Een deel van de behoefte blijft onvervuld, vooral bij regulerende en culturele diensten. Gevolg is dat gebieden overstromen of juist te droog zijn bij tekort aan waterberging. In het geval van koolstofvastlegging betekent dit dat de concentratie CO2 in de atmosfeer toeneemt, waardoor de aarde verder opwarmt. In het geval van natuurlijk erfgoed betekent het dat soorten dreigen uit te sterven.

Natuurgebieden leveren het breedste scala aan ecosysteemdiensten. Ook leveren natuurgebieden relatief gezien het grootste aandeel voor een groot aantal ecosysteemdiensten. Dit ondanks dat de oppervlakte natuur vele malen kleiner is dan de oppervlakte agrarisch gebied en stad. Het huidige agrarisch gebied wordt relatief monofunctioneel beheerd en levert daarom slechts enkele ecosysteemdiensten. Het stedelijk gebied draagt in beperkte mate bij aan het totale aanbod aan ecosysteemdiensten in Nederland.

In de Rijksnatuurvisie (2014) verbreedt het kabinet de inzet van het natuurbeleid naar een insteek waarin het nut van natuur meer aandacht krijgt. Het nut van natuur bestaat uit de goederen en diensten waarin de natuur kan voorzien. De 'Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal' (2013) formuleert activiteiten die bovenop het lopende beleid door de rijksoverheid en maatschappelijke partners kunnen worden ondernomen om het beoogde einddoel te bereiken: behoud, duurzaam en eerlijk gebruik van het natuurlijk kapitaal in 2020.

Referenties: Graadmeter Diensten van Natuur. Vraag, aanbod, gebruik en trend van goederen en diensten uit ecosystemen in NederlandOur life insurance, our natural capital: an EU biodiversity strategy to 2020Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal: behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit. Kamerstuk 22-06-2013Rijksnatuurvisie 2014Natuurlijk kapitaal: toestand, trends en perspectiefUitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal, Balans van de Leefomgeving 2014, Atlas Natuurlijk Kapitaal. Bronnen: CBS, PBL, Wageningen UR (2015). Goederen en diensten van ecosystemen in Nederland, 2013

Voorbeelden

  • Landgoed Roggebotstaete te Dronten heeft met steun van de stichting Triodos Foundation een zogenaamd bijenparadijs ontwikkeld. Een bijenstal biedt ruimte aan ongeveer twintig volken van honingbijen. Samen met Wageningen UR werkt Roggebotstaete aan optimale omstandigheden voor wilde bijen, onder andere met de bouw van een bijenhotel. Het landgoed ligt voor twee derde in het Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De inspiratie voor het idee is komt van de films Queen of the Sun en More than honey.

Foto: het bijenparadijs op Roggebotstaete (bron: http://www.roggebotstaete.nl/het-landgoed/vlinder-en-bijenparadijs.html). 

  • Langs de Grensmaas vindt over een lengte van 43 kilometer een van de grootste natuurontwikkelingsprojecten van Nederland en België plaats. Grindwinning langs de oevers verlaagt het rivierbed én levert duizend hectare nieuwe natuur op. Ook lopen omwonenden minder risico op overstromingen.

  • Natuurlijk kapitaal in de financiële sector. Rijk en provincies steunen via het programma Tweede Natuur diverse natuurinitiatieven uit de samenleving. Een daarvan is de transitie naar een groene economie die een impuls krijgt als natuurlijk kapitaal deel uitmaakt van beslismodellen van de financiële sector. Doel is om de komende jaren de best practices van koplopers tot dagelijkse praktijk van de gehele financiële sector te maken.Tweede Natuur helpt bij procesmanagement, netwerkversterking en verbinding met interdepartementale en internationale beleidsdossiers. Mede hierdoor is de publicatie Finance for One Planet tot stand gekomen. Partners in dit initiatief zijn banken, verzekeraars, private equity, pensioenfondsen, koepelorganisaties duurzaam bedrijfsleven, NGO’s, overheden en kennisinstellingen. Zie: tweedenatuur.nl/project/natuurlijk-kapitaal-in-de-financiele-sector, CoP Financial Institutions & Natural Capital en de Linkedin-groep. Contact: Jeroen Loots, ASNbank, Caroline van Leenders, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).


3. Klimaatbuffers bouwen met de natuur


Op tientallen plaatsen in het land is en wordt gewerkt aan combinaties van hoogwaterbescherming, waterberging én natuurontwikkeling. “Van boksen tegen de natuur evolueert de wereld van het waterbeheer naar judoën met de natuur”, zegt Peter Glas, voorzitter van de Unie van Waterschappen. En Theo Schmitz, directeur van de koepel van drinkwaterbedrijven Vewin ziet de judopartner uitgroeien tot een romantische danspartner. Je kunt de kracht van wassend water, zo schetste ecoloog Frans Vera, heel goed dempen met ooibossen en vooroevers; in de ruimte van de deltanatuur komt het water vervolgens helemaal tot rust.

Hoezeer het denken over de inzet van natuur in plaats van asfalt en beton is veranderd, is te zien aan klimaatbuffers. De Onlanden is zo’n klimaatbuffer. Het gebied van 2200 hectare in Noord-Drenthe, vlakbij de stad Groningen, is in enkele jaren tijd ingericht als een natuurgebied dat grote hoeveelheden water kan bergen. Dankzij die berging lopen delen van Groningen niet meer onder water bij extreme neerslag. “Tegelijk is de structuur van de landbouwbedrijven in de omgeving verbeterd en heeft recreatie bij de stad een impuls gekregen”, vertelt Nico Altena, hoofd afdeling natuur en landschap van Natuurmonumenten. Omdat ook de natuur zich ontwikkelt – diverse bijzondere vogels hebben het gebied gevonden, otter en bever duiken op – is met De Onlanden volgens Altena een viervoudige goudader aangeboord. De kosten bedroegen €40 miljoen. De traditionele oplossing, kadeverhoging in een groot gebied rondom Groningen, zou €115 miljoen hebben gekost. Het financiële voordeel bedroeg dus €75 miljoen.

Klimaatbuffers combineren vijf functies: natuur, recreatie, landbouw via begrazingseenheden van boeren, waterveiligheid en wateropvang die zorgt voor zoet water voor recreatie, landbouw en het tegengaan van verzilting. Dankzij die combinatie van functies zijn aanleg en beheer goedkoper dan losse maatregelen per functie. Zo voorkomt het hoge water het ontstaan van bos, dus is snoeien of rooien niet nodig. Een onbekend voordeel van nevengeulen bij rivieren is dat water het snelst stroomt over water. Dus levert zo’n klimaatbuffer hoog rendement bij hoog water.

De 16 recente pilotprojecten voor klimaatbuffers uit de 2e tranche vergden €145 miljoen. Daarvan betaalt het ministerie van Infrastructuur & Milieu 9%, Rijkswaterstaat en waterschappen 13%. De overige 78% komt van provincies, gemeenten, stadsregio’s, natuurorganisaties, NPL, Life, POP, PWN en particulieren. Zeven natuurorganisaties vormen de coalitie Natuurlijke Klimaatbuffers. De coalitie wordt mede gefinancierd door het ministerie van Infrastructuur & Milieu.

Voorbeelden & achtergronden

  • Dankzij de klimaatbuffer Ooijen-Wanssum langs de Limburgse Maas is er weer ruimte voor woningbouw, nieuwe bedrijven en uitbreiding van de Maashaven bij Wanssum. De bouw zat op slot vanwege het risico van wateroverlast. Het ministerie van VROM betaalde €1 miljoen, de provincie Limburg betaalt via een meerjarenovereenkomst een half miljoen. In een gebied van 60 hectare wordt de Oude Maasarm gereactiveerd, worden dijken verlegd en komen er twee hoogwatergeulen. In Wanssum wordt niet alleen de haven uitgebreid, maar ook een rondweg aangelegd. Zie: ooijen-wanssum.nl.

  • Bouwen met natuur levert jaarlijks €45 miljoen op, meldt Natuurmonumenten medio juni 2014. Rijk, waterschappen en provincies kunnen jaarlijks €45 miljoen besparen als zij in het waterbeheer vaker bouwen met de natuur. Dat blijkt uit onderzoek van Sterk Consulting, in opdracht van de Coalitie Natuurlijke Klimaatbuffers. Teo Wams, directeur Natuurbeheer van Natuurmonumenten en voorzitter van de coalitie: “Watermanagement in Nederland is noodzakelijk, een groot deel van Nederland ligt immers onder zeeniveau. Er is veel winst te boeken door niet terug te vallen op technische oplossingen. In veel gevallen kan het duurzamer en efficiënter worden aangepakt. Dan worden kosten bespaard en profiteert de natuur in Nederland fors.” Na twintig voorbeeldprojecten ziet de Coalitie Natuurlijke Klimaatbuffers op nog honderd locaties mogelijkheden met hetzelfde besparingspotentieel. Want 25% van alle projecten voor waterveiligheid is geschikt voor natuurlijke oplossingen. De besparing kan oplopen tot €3500 per strekkende meter, wat neerkomt op totaal €15 miljoen per jaar. Voor waterkwaliteit, zoetwatervoorziening en regionale wateroverlast bedraagt het besparingsvoordeel €35 tot €40 miljoen per jaar.Het gaat hierbij om directe winst voor Rijk, waterschappen en provincies. Synergiewinst voor het natuurbeheer en minder makkelijk in geld uit te drukken meerwaarde voor natuur, recreatie en drinkwatervoorziening zijn niet meegenomen. Sterk Consulting en de natuurorganisaties stellen voor dat de overheid verkenningen voor groene alternatieven verplicht stelt. Zie: natuurmonumenten.nl/sites/default/files/Besparingspotentieel%20bouwen%20met%20natuur%2012%20juni%202014%20(def).pdf.

  • Meebewegen met verzilting van de bodem kan geld opleveren. Voorbeeld is een test met binnendijkse kokkelteelt in polder Wassenaar op Texel. Die kokkelteelt kan naar verwachting twee maal het rendement van pootaardappelteelt halen. Via de stroming van eb en vloed krijgen de kokkels op een natuurlijke manier voedsel en water. Deze aquacultuur is een project van Staatsbosbeheer, Royal Haskoning, onderzoeksinstituut NIOZ, Zilt Proefbedrijf, Waddenfonds en Meromar Seafoods BV. Medio 2016 ging de proef van start. Een aantal geïnteresseerde ondernemers wil instappen na een succesvolle test en ziet kansen op diverse locaties langs de Waddenzee. Zie: royalhaskoningdhv.com/nl-nl/nederland/projecten/kansrijke-toekomst-voor-binnendijkse-kokkelteelt/1463.

  • Onderzoek op het Texelse Zilt Proefbedrijf wijst uit dat landbouw wel degelijk mogelijk is op verzilte grond. “Je kunt zonder opbrengstverliezen aardappelen, wortelen, uien, witte kool, broccoli, gerst en sla telen”, meldt Groen Kennisnet op 24 mei 2017.  Zie: groenkennisnet.nl/nl/groenkennisnet/show/Plantenteelt-op-zilte-grond-is-toch-mogelijk.htm?utm_source=Measuremail&utm_medium=email&utm_campaign=Groen+Kennisnet&utm_term=229.

  • Probos schetst de mogelijkheden voor biomassateelt in combinatie met wateropgaven, zoals mangrove-achtige wilgengrienden die de golfslag dempen, waardoor bespaard kan worden op hoogte en breedte van dijken. Zie: www.probos.nl/images/pdf/bosberichten/bosberichten2018-02.pdf. 

4. Wateropvang financiert natuur 

 

De Europese Kaderrichtlijn Water (KrW) dwingt lidstaten tot investeringen zodat uiterlijk in 2027 alle oppervlaktewater aan Europese milieueisen voldoet. Dat gaat samen met meer opvang van water om de verschillen tussen droge periodes en regenperiodes te bufferen. Tot de doelen behoren ook het terugdringen van vervuilende stoffen in het water, stoppen van verdroging van natuurgebieden, hermeandering van rechtgetrokken waterlopen en natuurvriendelijke oevers van meren en kanalen. Ook het herstel van de waterhuishouding in beschermde Natura 2000-gebieden stelt de Kaderrichtlijn Water verplicht. In goed overleg kan dat leiden tot verbetering van natuurkwaliteit, bijvoorbeeld door het herinrichten van moerassen, hoog- en laagveen. Waterschappen zijn de uitvoerders van dit beleid, vaak samen met provincies.

De voortgang verloopt traag. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft geconstateerd dat met het huidige beleid ten hoogste 40% van de doelen van de Kaderrichtlijn Water gehaald wordt in 2027.

Een globaal argument voor wateropvang geeft prof.dr.ir. Cees Buisman, member Executive Board van het onderzoeksinstituut Wetsus. In 2020 heeft 40% van de wereldbevolking last van waterstress, dus 4 miljard mensen. In Nederland leidt dat tot afsluiten van energiecentrales langs de Rijn die ’s zomers minder water vervoert, wat anders zou leiden tot gebrek aan zoet water voor huishoudens en landbouw. Vandaar de bouw van energiecentrales langs de kust waar koeling met zout water mogelijk is. Meer waterberging in natuur kan dat probleem verkleinen. Dat zal ook leiden tot een groter draagvlak voor het belang van natuur. Bron: Wetsus Leeuwarden

Rijkswaterstaat legt nevengeulen aan in de uiterwaarden van de grote rivieren in het kader van het programma Ruimte voor de Rivier dat als doel heeft dijkdoorbraken te voorkomen bij piekaanvoeren. Die nevengeulen gaan vaak samen met natuurontwikkeling.

Voorbeelden

  • Voorbeeld op landgoed. “Provincie en waterschap zochten een proefgebied voor een antiverdrogingsplan. De Sandenburgse plannen voor nieuwe natuur leken hen heel geschikt. Hier komt het natuurlijke waterpeil weer terug. Dat wil zeggen dat het natter is in de winter en droger in de zomer. Het gebiedsgebonden water houden we vast met dammetjes. Gebiedsvreemd water mag er niet in, zoals uit de voedselrijke Langbroeker Wetering.

    Frederik graaf van Lynden van Sandenburg, eigenaar van 600 hectare met een wit kasteel in het Kromme Rijngebied: “Dit Sandenburg Initiatief van ruim veertig hectare kost €340.000, waarvan de provincie Utrecht €250.000 betaalt. Zes hectare wordt bos, de rest blijft open en wordt kruidenrijk grasland. Op deze veertig hectare wordt al negen jaar niet gemest. Je ziet de bloemenrijkdom snel toenemen. Met de grond die vrijkomt bij de aanleg van sloten en poelen creëren we een habitat voor hazelwormen. Een biologische graanakker trekt patrijzen, die we tien jaar niet meer hadden gezien.”“Een boer wilde stoppen omdat de grond erg nat is en moeilijk te bewerken. Het gebied ligt laag tussen de Kromme Rijn en de Langbroeker Wetering. Er komt hier veel schoon kwelwater omhoog dat uit de Utrechtse Heuvelrug stroomt. Dankzij een ontpachtingssubsidie kon de boer in Werkhoven, vijf kilometer verderop, een eigen boerderij beginnen. En dankzij provinciale compensatie voor de waardedaling van de grond konden wij hier nieuwe natuur ontwikkelen.”

Landgoed Sandenburg aan Langbroeker Wetering in Utrecht. Foto: E. Dronkert / Flickr. 

  • Voorbeeld uit Twente. “Het Waterschap Regge en Dinkel heeft een retentiebekken van zeven hectare aangelegd, met aan begin en eind knijpduikers om de waterafvoer te reguleren. Hier ligt nu bloemrijk grasland. Dat voegt iets toe aan de natuur. Aanvankelijk wilde de provincie in het kader van het Natuurnetwerk Nederland een strook langs de Fleringer Molenbeek teruggeven aan de natuur. Maar ik pleit voor diversiteit in landschappen. Anders wordt alles bos, met weinig variatie. Dit grasland vergt eenmaal per jaar maaien om bomen geen kans te geven.”Lothar baron von Bönninghausen, eigenaar van landgoed Herinckhave te Fleringen, 65 hectare groot: “De Fleringer Molenbeek loopt van noord naar zuid over Herinckhave. De beek is teruggelegd in zijn oude bedding. De oude weilanden staan ’s winters en soms ook ’s zomers deels onder water. Zo was het tot twee eeuwen geleden. Want rond 1800 is de beek omgelegd voor de watermolen. De natuurwinst van dit wateropvangbekken is groot. Veel meer bloemen. Dat is vooral goed te zien in het voorjaar. En aan de rand heb ik een groene boomkikker gevonden, voor het eerst in zestig jaar.”

5. Waterhouderij


Op een wat grotere schaal lopen er experimenten met een zogenaamde waterhouderij. Daarvoor heeft het ministerie van Economische Zaken een Green Deal in 2012 getekend met Deltares, Aequator Groen & Ruimte, ZLTO, Kiemkracht, Rijkswaterstaat, waterschap Regge & Dinkel, waterschap Brabantse Delta, Staatsbosbeheer en acht landbouwers van stichting de Waterhouderij Walcheren.

Op de landerijen van ondernemer Jan Reimer in De Lutte, Overijssel, is in een beekdal een buffervijver aangelegd van ongeveer honderd bij vijftig meter, gevoed met een aanvoerleiding en met hulp van een kleine stuw in de waterloop. Van daaruit kan Jan Reimer bij droogte zijn hoger gelegen landerijen beregenen. Marco Arts, adviesbureau Aequator Groen & Ruimte: “We testen hier in de praktijk hoe het werkt, hoe groot de buffervijver moet zijn. Nog voor de voltooiing gaf de buurman aan dat hij mee wilde doen.”

De Waterhouderij, in 2007 bedacht door Innovatienetwerk, is dankzij de Green Deal uitgegroeid tot een project dat veel aandacht krijgt. “Dat komt door de droogtes van de afgelopen jaren, maar ook doordat waterschappen en brancheorganisatie LTO dit tot thema hebben gemaakt”, zegt Arts. “De Green Deal zorgt voor kennisuitwisseling en contacten met de juiste mensen. Want wet- en regelgeving zijn belangrijke componenten in de uitwerking van de waterhouderij.”

  • In een ander voorbeeld van een waterhouderij werken een tuinbouwer en Staatsbosbeheer samen. Een natuurgebied in het Brabantse Wernhout profiteert van overtollig regenwater van de tuinbouwer die in ruil daarvoor, in periodes van droogte water uit het natuurgebied mag onttrekken. Arts: “Normaal kan dat niet, maar de agrarische ondernemer heeft in overleg voor deze uitruil een vergunning aangevraagd.”

  • Het grootste project van Waterhouderij betreft acht boerenlanderijen op Walcheren. Marco Arts: “Dat is een speciaal gebied, met veel verschillende types agrarische activiteit, veel zonuren en vaak zoetwatertekort. Bovendien is er een beperkte hoeveelheid zoet grondwater vanwege het zoute water van de omliggende zee. In een gebied van 300 tot 400 hectare kijken we nu naar betere benutting, buffering van zoetwater en het beter scheiden van zoet en zout water met schotten en stuwen.” Uit: Green Deal Nieuws van 7 maart 2013. Zie: waterhouderij.nl/#sthash.DIhl0g7J.dpuf.

  • In de meest ver uitgewerkte variant is een Waterhouderij een coöperatie van boeren, andere ondernemers, grondeigenaren, gemeente, waterschap en gebiedsbewoners die op minimaal vijfhonderd hectare een wateroverschot vasthoudt voor droge tijden, zelfvoorziening, vis-, algen- en rietteelt voor biobrandstof en zuivering, productie van industriewater, recreatie, tegengaan van verdroging van natuur, educatie en recreatie in de vorm van drijvende woningen. Zie: innovatieagroennatuur.nl/nl/concepten/view/108/Waterhouderij.html.

Het ministerie van Economische Zaken heeft InnovatieNetwerk medio 2016 opgeheven. Een deel van de projecten loopt door via de Kennis- en Innovatieagenda van het Directoraat-Generaal Agro&Natuur. Daaronder vallen drie strategische kennis- en innovatieprogramma's, te weten Voedsel, Ketens en Natuurlijk Kapitaal. Van die laatste is Hans Hillebrand de trekker. 

6. Geld voor waterberging


Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden betaalt boeren €5 tot €7 per m2 voor slootverbreding, namelijk 85% van de grondwaarde + €6 per m3 grondverzet. Op die manier wil het Hoogheemraadschap meer waterberging creëren. Een hectare onder water zetten levert dus eenmalig €50.000 tot €70.000 op.

7. Drinkwatergeld naar natuur 


In het buitenland wordt soms betaald voor de waterzuiverende werking van bossen. Dit is het geval bij de stadsbossen van het Duitse Freudenstadt in Baden-Württemberg. Ander voorbeeld: het Franse waterbedrijf Perrier Vittel, dochter van Nestlé, kocht 1500 hectare bos en akkers voor bescherming van grondwater. Bovendien financiert Vittel boeren voor biologische landbouw in dat gebied. Ook in Engeland zijn er experimenten om waterzuivering op particuliere grond te financieren.

Voorbeelden

  • In Japan betaalt Sony rechtstreeks aan boeren om zich te verzekeren van voldoende grondwater van goede kwaliteit.

  • Het Vlaamse Nationaal Park Hoge Kempen verdiende €26,8 miljoen aan de productie van drinkwater in 2010. De Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening haalde het water uit de grensgebieden van de Hoge Kempen. Zie: nationaleparkenwereldklasse.nl/wp-content/uploads/2016/07/NationaleParken_A4_Brochure-WUR.pdf

  • Het drinkwaterbedrijf van New York compenseert bovenstroomse boseigenaren en boeren voor inkomstenverlies door het toepassen van best practices die leiden tot minder watervervuiling.

  • Het Costa Ricaanse energiebedrijf Energía Global betaalt landeigenaren in de gebieden stroomopwaarts om te herbebossen, bestaand bos duurzaam te beheren en te behouden om zo watertoevoer naar de dammen veilig te stellen en sedimentatie te verminderen. De financiering heeft een hybride karakter omdat betaling deels komt van het bedrijf Energía Global, maar de overheid een rol speelt als intermediair en medefinancier. Bron: ‘Ecosysteemdiensten in het buitenland, Toepassing in pilots en beleid’, Frans Oosterhuis en Arjan Ruijs, Planbureau voor de Leefomgeving, 15 september 2015. Zie: themasites.pbl.nl/natuurlijk-kapitaal-nederland/wp-content/uploads/2014/PBL-2015-Ecosysteemdiensten-in-Buitenlands-Beleid-1840.pdf.

  • In Nederland zuivert PWN Rijnwater in de Waterleidingduinen. Als eigenaar financiert PWN het beheer van die duinen. In veel andere gebieden waar drinkwaterbedrijven grondwater oppompen, is de grond in andere handen en krijgt de eigenaar geen vergoeding voor de zuivering. Onder andere het Utrechts Landschap probeert in gesprekken met Vitens een creatieve oplossing te vinden waar beide partijen baat bij hebben.Uit gesprekken met drinkwaterbedrijven krijgt Staatsbosbeheer de indruk dat de waterbedrijven liever zelf grond kopen dan een tarief betalen voor elke gezuiverde kubieke meter water. Bevestiging van die beweging komt van drinkwaterkoepel VeWin. In een reactie op de Rijksnatuurvisie van 2014 verklaart VeWin dat drinkwaterbedrijven kunnen en willen bijdragen aan het terugdringen van versnippering van natuurgebieden door het vormen van grotere robuuste eenheden en meer natuur in beheer of eigendom te nemen ter bescherming van drinkwaterbronnen. Dat biedt kansen voor provinciale Landschappen en Natuurmonumenten om eigendom te verkopen en met dat geld meer NatuurNetwerk te financieren en te beschermen.

  • Nog een voorbeeld biedt het Waterpark van landgoed Het Lankheet bij Haaksbergen. Het Waterpark zuivert water uit de Buurserbeek wat het landgoed een besparing oplevert op de waterschapsheffing. Het riet uit het helofytenfilter levert biomassa op die bruikbaar is in een aangepaste oven voor de verwarming van onder meer een school en een zwembad in Neede. Twee inkomstenbronnen dus. Maar als brandstof levert riet slechts €45 per ton op. Hoger zijn de opbrengsten als stro en aanvulling op veevoer, namelijk €75.

  • Op ruim tien plaatsen in Nederland staan zogenaamde waterharmonica’s achter rioolwaterzuiveringsinstallaties voor alle gevallen waarin het oppervlaktewater of de RWZI de taak van de nazuivering van het afvalwater niet aan kan. Deze beheerde natuur, meestal in de vorm van een moeras, zorgt dat het gezuiverde water ook aan ecologische eisen voldoet van de Europese Kaderrichtlijn Water. Met behulp van een natuurlijk systeem worden de scherpe, abrupte overgangen tussen emissies en het ontvangende waterecosysteem verzacht. Inkomsten halen deze waterharmonica’s uit biomassa en uit meststoffen als fosfaat (750 kilo per hectare per jaar) en stikstof (1000 kilo per hectare per jaar). Combinatie is mogelijk met natuur en recreatie. Zie: waterharmonica.nl.

  • De eerste voorbeelden van drinkwaterproducenten die investeren in manieren om verdroging van natuur tegen te gaan, komen uit Gelderland en Noord-Brabant. Drinkwaterbedrijf Vitens heeft het infiltratieproject bij Epe uitgebreid. Elk jaar infiltreert Vitens 6 miljard liter water uit de Grift en de Klaarbeek in het waterwingebied Epe om de natuurwaarde van het gebied te behouden en de drinkwaterwinning voor 50.000 omwonenden veilig te stellen. Daarmee infiltreert Vitens evenveel water als het ter plekke oppompt. Vitens investeerde €5,5 miljoen in de uitbreiding. De vennen zijn zo natuurlijk mogelijk ingepast in het landschap. De grond is bezit van Vitens. Het drinkwaterbedrijf betaalt Ede voor het bosbeheer dat de gemeente uitvoert. Vitens beheert zelf de infiltratievijvers. Bron: Vitens, 13/11/15.

  • Twee Brabantse drinkwaterbedrijven, Brabant Water en Evides, reserveren in vijf jaar maximaal €20 miljoen voor maatregelen tegen verdroging als gevolg van hun activiteiten. Het gaat dan om het afsluiten van sloten en aanleg van stuwen voor een betere regeling van het waterpeil. Het geld blijft eigendom van de waterbedrijven, maar provincie en bedrijven kunnen locaties aandragen met droogteproblemen. De Brabantse gedeputeerde Johan van den Hout (SP) wil ook andere bedrijven die veel grondwater oppompen, zoals Coca-Cola en Bavaria, betrekken bij dit initiatief.

  • Gesprek aan Groene Tafel. In 2015 zijn drinkwaterbedrijven, overheden en natuurorganisaties in gesprek geraakt over een gezamenlijke doel, namelijk robuustere gebieden inrichten waar plaats is voor natuur en drinkwaterwinning. Deze samenwerking verankeren zij in een routekaart, met daarin de ambitie, pilots en acties, financieringsafspraken en rolverdeling. Het overheidsprogramma Tweede Natuur heeft de partijen bij elkaar gebracht via een groene tafel en biedt de deelnemers snelle toegang tot kennis. De partners zijn drinkwaterbedrijven onder de Vewin-koepel, terreinbeherende organisaties, provincies, gemeenten, waterschappen en ministerie van EZ.Zie: tweedenatuur.nl/project/natuur-drinkwatervewin.nl/Waterspiegelartikelen/14-Natuurtop%202015;%20Staatssecretaris%20Dijksma%20steunt%20initiatief%20Groene%20Tafel%20Natuur%20en%20Drinkwater%2001%202015.pdf, Routekaart Samenwerking Natuur en Drinkwater.

8. Valuta voor veen 


Veen ontstaat door continue aangroei en stapeling van plantaardig materiaal in een natte omgeving. Daardoor legt veen op een effectieve manier CO2 vast. Er is echter een probleem. Verlagen van het waterpeil leidt tot oxidatie van het veen met bodemdaling en CO2-uitstoot tot gevolg. Dit is schadelijk voor natuur- en waterkwaliteit, het klimaat en op termijn ook voor de landbouw. Het innovatieve project Valuta voor Veen biedt perspectief.

Met Valuta voor Veen hebben de Natuur en Milieufederatie Groningen en het Amsterdamse onderzoeksbureau voor milieu en innovatie IMSA in 2014 een haalbaarheidsstudie gedaan naar het CO2-emissiereductiepotentieel van veengebieden en het opzetten van een (regionale) CO2-compensatiemarkt. Gekeken is of het Valuta voor Veen-concept boeren, bedrijven en andere partijen kan stimuleren om maatregelen te treffen tegen veenoxidatie. De emissierechten die zij verkrijgen door instandhouding of realisatie van veenweidegebieden kunnen zij verkopen op een regionale koolstofmarkt. De hoeveelheid gereduceerde CO2-emissie krijgt op deze manier geldelijke waarde.

De studie heeft twee scenario’s doorgerekend waaruit blijkt dat het Valuta voor Veen-concept kansen biedt. Het landbouwscenario toont aan dat de opbrengsten vanuit de koolstofmarkt in potentie voldoende zijn om de investeringen binnen 7 tot 12 jaar terug te verdienen, mits het waterpeil voldoende wordt verhoogd. Bijkomend voordeel van dit scenario is dat landbouwkundig gebruik nog steeds mogelijk is en veenoxidatie en bodemdaling vertraagd worden.

Het tweede scenario levert de hoogste opbrengsten in de koolstofmarkt, maar niet voldoende om binnen redelijke termijn ook de aankoopkosten van de grond terug te verdienen. Wel kan het beheer van de nieuwe natuur uit de opbrengsten gefinancierd worden. Voordeel van dit scenario is dat veenoxidatie en bodemdaling geheel stoppen en nieuwe natuurgebieden ontstaan.

Bronnen: Publiekssamenvatting van de haalbaarheidsstudie Valuta voor Veen december 2014 en Artikel in het Dagblad van het Noorden over Valuta voor Veen december 2014. De resultaten zijn eind 2014 gepresenteerd op het symposium Valuta voor Veen. Zie de presentaties: MoorFutures, Valuta voor Veen in de praktijk – Christian Fritz, Institute for Water and Wetland Research, Haalbaarheidsstudie Valuta voor Veen, de resultaten – Marjolijn Tijdens, Natuur en Milieufederatie Groningen, Kansen (regionale) koolstofmarkten in Nederland – Wytze van der Gaast, JIN, Pitch Ko van Huissteden, VU Amsterdam.

Voorbeelden en achtergronden

  • Inkomsten haalt Valuta voor Veen uit emissierechten. Bedrijven betalen voor elke ton geproduceerde ton CO2. Dat geld gaat naar projecten waar CO2 wordt vastgelegd. Hoe werkt dat Europese handelssysteem ETS, voor de EU het belangrijkste instrument om CO2-uitstoot te reduceren? Energiebedrijven en industrie mogen alleen nog CO2 uitstoten als ze daar emissierechten voor hebben. Eén emissierecht staat voor de uitstoot van één ton CO2. Europa beperkt het aantal emissierechten, waardoor de prijzen stijgen, terwijl bedrijven die CO2-reductie bereiken, via dit systeem financieel worden beloond. Helaas ligt de prijs van een emissierecht al jaren zo laag dat bedrijven nauwelijks stimulans ervaren om hun CO2-productie te verminderen. Volgens recente berichten stijgt de prijs van emissierechten en komt het bedoelde effect van de regeling in zicht. 
    Burgers, instellingen en bedrijven die niet binnen het verplichte emissiehandelssysteem vallen, kunnen hun emissies compenseren op de vrijwillige koolstofmarkt. De projecten die aan deze emissierechten vastzitten, hebben vaak meer gunstige effecten dan alleen het verminderen van CO2-uitstoot. Een bekend voorbeeld is de passagier die bij het boeken van een vakantievlucht kan kiezen om deze vlucht CO2-neutraal te maken. De vliegtuigmaatschappij investeert dit geld in bijvoorbeeld de aanleg van klimaatbossen.

  • Bas van de Riet van Landschap Noord-Holland werkt aan de ontwikkeling van een koolstofmarkt. Zie: natuurlijkezaken.nl. Directeur Hans van der Werf van de Friese Milieufederatie onderzoekt de mogelijkheden voor een lokale koolstofmarkt in Friesland. Zie: friesemilieufederatie.nl/wie-zijn-wij/medewerkers/hans-werf.

  • In de Proeftuin Natura 2000 Veenweiden werken overheid en agrarische sector samen aan het behoud van de melkveehouderij in het westen van Nederland. LTO Noord is de initiatiefnemer. In een driejarig programma worden technische en organisatorische innovaties in de boerenpraktijk uitgerold en getest die zorgen voor een lagere emissie van stikstof en CO2, oplossingen voor bodemdaling en verbetering van de waterkwaliteit, zoals onderwaterdrainage. Provincie Zuid-Holland is aanjager en deelnemer aan het project. Noord-Holland en Utrecht willen vooralsnog alleen op projectniveau aanhaken. Bron: Nieuwe Oogst, 14/11/15. Zie: pas.bij12.nl/content/start-proeftuin-natura-2000-veenweiden.

  • Met maatregelen tegen bodemdaling veenweidegebieden 'kopen we tijd', zegt Cees Kwakernaak van Alterra Wageningen UR. Alterra kent diverse mogelijkheden om bodemdaling te vertragen en melkvee te behouden. Nattere bodems zijn voor veehouders onaanvaardbaar. "En toch is het ook daar mogelijk de bodemdaling met de helft te beperken", zegt Kwakernaak. "Innovatieve drainage- en infiltratiesystemen die permanent onder slootwaterpeil liggen, kunnen ervoor zorgen dat het grondwater in droge tijden veel minder zakt, waardoor de bodemdaling geremd wordt, en in natte tijden het overtollige water snel afvoeren, wat in het voordeel van de boer is. Er lopen al experimenten met grootschalige toepassingen in Zuid-Holland en Utrecht." Bron: WUR/Alterra. 

9. Vergeet gras: rijst heeft de toekomst


Rijst is net als cranberry een gewas dat gedijt in het drassige landschap van het westelijk veenweidegebied. De landen van Kanis, Kamerik, Kockengen, Zegveld en De Meije lenen zich hiervoor. Het Veenweiden Innovatie Centrum (VIC) in Zegveld doet een proef om te kijken of wilde rijst verbouwd kan worden in het gebied. 
Het VIC is in mei 2012 geopend. In het onderzoeksproject ‘Veen, Voer en Verder’ heeft de proefboerderij in mei 2016 naast riet, wilg en miscanthus, ook lisdodde en wilde rijst geplant. VIC, Louis Bolk Instituut en Radboud Universiteit Nijmegen onderzoeken de mogelijkheden van deze nieuwe gewassen op percelen met een te hoog waterpeil. Onderzoekers kijken naar teelt, opbrengst, voedingswaarde voor melkvee en andere toepassingen zoals isolatiemateriaal en grondstoffen voor geneesmiddelen. Lisdodde heeft potentie als veevoer, wat toepassing voor melkveehouders binnen bereik brengt. Visteelt is onderzocht, maar stuit nu nog op bezwaren van belanghebbende partijen.
Bij een hoog waterpeil kunnen melkveehouders moeilijk voldoende grasproductie van hun weiden halen. Samen met de sector zoekt het VIC naar alternatieve teelten die bruikbaar zijn voor de melkveehouderij. Zo kan de melkveehouderij producent en cultuurdrager blijven in het veenweidegebied, verwacht het VIC.
Nieuwste project van het Veenweide Innovatie Centrum is onderzoek naar de mogelijkheden van klei toevoegen aan veen. De bindende eigenschappen van klei leiden tot een zogenaamd klei-humuscomplex dat de bodemdaling sterk vermindert.

Het internationale project Commonland van Willem Ferwerda wil in drie veenweidegebieden (Waterland, Amstelland en Vechtstreek) landbouwbedrijven interesseren om natuurinclusief te produceren voor de lokale markt en te zoeken naar nieuwe verdienmodellen met een lage impact en een hoge opbrengst. Commonland werkt complementair aan bestaande initiatieven, die ze versnelt en opschaalt, en samenbrengt in een kennis- en leernetwerk. Het overheidsprogramma Tweede Natuur draagt bij aan communicatie over en realisatie van de praktijkproeven. Partners in dit initiatief zijn Amsterdam Water Science Institute, Louis Bolk Instituut, Natuurmonumenten, boeren en bedrijven in en uit Amsterdam en omgeving. Zie: tweedenatuur.nl/project/commonland-veenweideherstel, commonland.com/en.

10. Riet als bouwsteen voor waterbeheer

Riet heeft veel potenties. Zo kan riet bijdragen aan verschillende opgaven, zoals waterberging, waterzuivering, tegengaan bodemdaling, inrichten bufferzones voor verdrogingbestrijding, biomassa. Vanwege deze potenties heeft Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) budget uitgetrokken voor onderzoek naar rietteelt. Het westelijk deel van het werkgebied van HDSR, onderdeel van het Groene Hart, komt het meest in aanmerking voor dit onderzoek. Hier bevinden zich de gebieden waar gezocht wordt naar extra waterberging, waar te hoge concentraties stikstof en fosfaat aanwezig zijn, waar sprake is van verdroging en onderbemalingen. Uit: Schetsboek Groene Gebiedsontwikkeling Utrecht van Natuur- en Milieufederatie Utrecht, nmu.nl.

Het Veenweiden Innovatie Centrum startte 5 juni 2015 een proef voor twee jaar met cranberry als alternatief voor melkveegebruik. Cranberry verdraagt een hoger waterpeil. Frans Lenssinck, beheerder van de proefboerderij in Zegveld, experimenteert met teelt van cranberry, lisdodde, olifantsgras en kroos. Het rietonderzoek bestudeert de mogelijkheden als vervanger van stro in stallen, voor biomassa, daken van woningen, waterzuivering, koolstof vastleggen en als habitat voor vogels. Zie: veenweiden.nl

Riet heeft potenties als vervanger van stro in stallen, voor biomassa, daken van woningen, waterzuivering, koolstof vastleggen en als habitat voor vogels. Foto: Pixabay.