FPG Nieuws

Ambitie en middelen ook in Rli-rapport Veenweide in disbalans

Vandaag verscheen het zoveelste advies over veenweide. Ditmaal presenteerde het Rli een rapport hierover, met de titel 'Stop bodemdaling in veenweidegebieden: het groene hart als voorbeeld'. Net als de eerdere rapporten spreekt er een enorme ambitie uit, maar blijven de passages over de bekostiging van die ambities uiterst vaag.

Om bodemdaling tegen te gaan, is een omslag nodig in het waterbeheer van veenweidegebieden. De Raad voor de Leefomgeving bepleit dat de rijksoverheid daarbij gericht stuurt op een omslag van peilverlaging naar peilverhoging. De Raad adviseert om 50% bodemdalingsreductie verplicht te stellen voor 2030, en voor 2050 een streefdoel van 70% bodemdalingsreductie. 

Bekostiging vaag

Waar de Rli ver gaat in haar beleidsvoorstellen, geldt dat niet voor de bekostiging ervan. Daarbij komt de Raad niet veel verder dan de aanbeveling om de kosten en baten van bodemdaling duidelijker in beeld te brengen. Daar is nu nog onvoldoende inzicht in, in het bijzonder kwantitatief, voegt de Raad daaraan toe.

Daarnaast doet de Raad vrij luchtig over de noodzakelijke compensatie voor waardedaling van grond. Op zichzelf hoeft waardedaling niet per se aan de orde te zijn, zo stelt de Rli. Bovendien stelt ze dat wanneer herinrichtingsplannen al lang van te voren bekend zijn, compensatie niet nodig is: “Agrarische ondernemers kunnen er dan lang genoeg van tevoren rekening mee houden en hun gebouwen en dergelijke tegen die tijd hebben afgeschreven”. Dit lijkt nogal gemakzuchtig van het Rli.

Enorme kosten

Vaak zullen de voorgestelde maatregelen nopen tot functieverandering, bijvoorbeeld van landbouwfunctie naar natuur. Daarbij is sprake van inbreuk op eigendomsrecht en lopen de bedragen snel op. De gemiddelde kosten bij aankoop, afwaardering en inrichting gaan bij functiewijziging dan al gauw richting € 60.000 tot € 80.000 per hectare (afwaardering én inrichting).

Het Rli doet daarbij ook niets met de eerder constatering van Prof. Dr. C.P. Veerman in zijn rapport “zoeken naar draagvlak voor slappe grond” over het Programma Bodemdaling van de Provincie Noord-Holland. Die agendeerde na zijn gesprek daarover met het Hollands Particulier Grondbezit nadrukkelijk de vraag op welke wijze en op welke basis de waardedaling van de eigendom van de grond moet worden gecompenseerd en welke verdeling tussen eigenaar en pachter daarbij behoort en of het bestaande wettelijke kader daarvoor een adequate en toepasbare basis biedt.

Ook LTO neemt afstand 

De door Rli geformuleerde doelen vloeien volgens haar rechtstreeks voort uit de verplichtingen in de Klimaatwet. Ook voor een wet geldt echter dat deze niet uit te voeren is, als de middelen daarvoor ontbreken.

Juist vanwege de onevenwichtigheid in de ambitie en middelen, vooral bij veenweide (zie onder andere hier), heeft FPG het klimaatakkoord niet getekend. Ook bij bijvoorbeeld de bosstrategie is sprake van hetzelfde euvel (zie hier). Nieuw is wel dat nu ook LTO – dat zich eerder committeerde aan het klimaatakkoord - nu afstand neemt vanwege de vage bekostiging. LTO schrijft (hier) nu dat “het ondenkbaar is dat er nu al doelen zouden worden vastgelegd zonder de maatschappelijke en financiële impact scherp in beeld te hebben. Een vage toezegging van steun is niet genoeg.”

Loze ambitie

FPG gaat veranderingen bepaald niet uit de weg, zeker niet als het verduurzaming betreft. Daarbij hebben grondeigenaren echter geleerd dat ambities in lijn moeten zijn met beschikbare middelen wil er daadwerkelijk sprake zijn van resultaat. Als beleidsambities vergaande gevolgen hebben voor de grondeigenaar en inkomens- en vermogensschade optreden, en als deze gevolgen niet worden opgevangen, zullen de beleidsambities niet slagen.