FPG Nieuws

Particulieren en bedrijven maken het verschil in ruimtelijke ontwikkeling

De ruimtelijke opgaven zijn groot in Nederland. Meer richting moet worden gegeven op landelijk niveau, de uitvoeringskracht op decentraal niveau moet worden vergroot, en betrokkenheid van burgers moet beter worden verankerd. Dit staat in het vandaag gepresenteerde adviesrapport “Geef richting, maak ruimte” van de Raad van de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli). Volgens FPG legt de Rli de vinger op de zere plek. Toch mist FPG in het rapport de urgentie particuliere eigenaren en bedrijven centraler te stellen bij het ontwerp en uitvoering van ruimtelijke opgaven. De overheid, de samenleving en de markt staan samen aan de lat. Landgoederen, boeren en andere particuliere eigenaren bezitten en beheren twee derde van de ruimte in Nederland. Zij zijn cruciaal voor de vorming van het Nederlandse buitengebied.

Modernisering regietaak overheid
Grote opgaven als woningbouw, versnellen van de energietransitie, natuurherstel, een divers landschap en duurzame voedselvoorziening komen allemaal samen in de komende decennia. De Rli concludeert in het 60 pagina tellende advies dat de huidige aanpak onvoldoende is om de grote aanstaande verbouwing snel en zorgvuldig aan te pakken. Ze concludeert daarbij dat de ruimte in Nederland steeds minder vanuit visie en verbeeldingskracht ingericht is, maar steeds meer door toeval. Wetgeving zit volgens de Rli niet zozeer in de weg. Het vraagt dus meer een modernisering van de regietaak en een actievere houding van de decentrale overheid met benodigde middelen. Waarbij overheden ook meer elkaar moeten aanspreken op verantwoordelijkheden en snelheid.

Uitvoering door particulieren & integrale aanpak
De Rli benoemt expliciet dat de Rijksoverheid zich meer bewust moet worden “dat belangrijke uitvoeringskracht ligt bij organisaties zoals natuur- en landschapsbeheerders” maar maakt dat verder weinig concreet. Tegelijkertijd ziet FPG het terechte belang dat de Rli toekent aan integraliteit bij opgaven. De Rli ziet net als FPG dat de overheid integraal afwegingen hebben plaatsgemaakt voor sectoraal beleid. Met het landgoedmodel wordt hier al sinds jaar en dag op ingespeeld door particulieren op plaatselijke of regionale schaal. Verschillende kostendragers die bijdragen aan de instandhouding van het landgoed zijn nodig om landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten te versterken.

Grondbank niet zaligmakend
Introductie van een grondbank wordt in een aantal onderzoeken geopperd om de structuurverbetering en ruilverkaveling vorm te geven bij een herinrichting. De Rli ziet wel mogelijkheden voor een grondbank, maar plaatst ook, in de ogen van FPG, terechte kanttekeningen hierbij. De overheid gaat op de stoel van grondeigenaren zitten met financiële risico’s voor beide partijen. Daarnaast ligt de “dubbele-petten-problematiek” op de loer. Overheden dingen mee naar gronden waar ze zelf de regels voor bepalen en een grote rol in de uitvoering bij spelen. FPG vindt het zeer terecht dat de Rli heel terughoudend is op dit punt en verder onderzoek vraagt naar een dergelijk instrument.

Novi-plus met concretere doelen
De Rli vindt in haar analyse dat de huidige Nationale Omgevingsvisie (NOVI) onvoldoende houvast geeft aan partijen in de regio om uitvoering te geven aan de vele opgaven in de fysieke leefomgeving. Dat zit hem vooral in het feit dat geen heldere doelen en keuzes zijn opgenomen. Daarnaast ontbreekt het aan ontwerpkracht vanuit de overheid. In dat kader pleit het instituut voor een Novi-plus waar nationale doelen worden opgenomen en vertaald naar regionaal niveau. Samen kunnen gebieden worden omgetoverd tot aantrekkelijke nieuwe omgevingen waar concrete doelen worden gediend. Regie is nodig vanuit de overheid, maar het ontwerp van gebieden moet samen met particuliere, bedrijven n en andere belanghebbenden plaatsvinden. Bij eventuele aanpassing van de NOVI blijven principes als respect voor eigendom, het slim combineren van functies en kiezen voor grondgebonden landbouw pijlers voor de FPG.

Onderschatting financiële opgave
Tot slot ziet de Rli evenals FPG de enorme onderschatting van de financiële opgave bij de gezamenlijke ruimteclaims met bijbehorende doelen. De Rli wijst op het scala van onderzoeken dat wijst op de tot op heden beschikbaar gestelde financiële middelen onvoldoende zijn voor uitvoering en de realisatie van de gestelde nationale doelen door decentrale overheden. Ruimtelijke ordening heeft van oudsher beperkte budgetten gekend en dit werd sectoraal opgevangen. Een integraal beleid heeft ook middelen nodig op ruimtelijke ordeningsniveau.