"De Oranjes zetten eeuwenlang de toon in de architectuur"
Eeuwenlang zetten de Oranjes de toon bij de architectuur van landhuizen en buitenplaatsen. De bouwstijl die de Oranjes toepasten werd snel nagevolgd, is de constatering van professor Koen Ottenheym. Hij is kritisch op de bouwstijl van nieuwe buitenplaatsen en landhuizen: “Dat is soms een soort carnavalsverkleedpartij.”
Geschreven door Mr. Johannes ten Cate en ing. Peter van Houweling, redacteuren De Landeigenaar
In een restaurant in het lommerrijke Wilhelminapark in Utrecht vertelt Ottenheym gedreven over het vakgebied waarin hij nu veertig
jaar werkt. Hij gaat daarbij terug tot de 16e en 17e eeuw toen veel landhuizen en buitenplaatsen zijn gebouwd. Beide typen huizen kennen een andere ontstaansgeschiedenis, legt hij uit. Buitenplaatsen zijn nieuw ontworpen, terwijl landgoederen vaak zijn ontstaan uit kastelen, als centrum van grondbezit. Het landhuis had een directe relatie met het grondbezit. Hoe groter het grondbezit, hoe groter het huis. Dat gold bijvoorbeeld ook voor de duiventillen. Ottenheym: “Als je groter bouwde dan de grond aan financiële middelen kon opbrengen, ging je ten onder.” Niet alleen de grootte van het huis, maar ook de architectuur ervan hing samen met de omvang van het grondeigendom. Na verloop van tijd werden aan het landhuis politieke rechten verbonden. Het huis was de drager van die privileges. Bovendien waren er ook andere privileges aan verbonden zoals het recht van pacht, lucht en water. Buitenplaatsen waren niet grondgebonden. Eromheen lag meestal alleen een tuin. Ze werden ook anders gefinancierd, meestal door kooplieden uit de stad. Ook de emotionele binding van de eigenaar met het bezit was anders. Buitenplaatsen werden vooral gezien als persoonlijk bezit, niet als een stamslot van de familie. Als de financiële nood hoog was, verkocht de eigenaar als eerste de buitenplaats. “Bij landhuizen was dat net andersom”, vertelt Ottenheym. “Het landhuis was het allerlaatste dat je opgeeft. Je verkocht nog eerder het huis in de stad dan het landhuis.”
Dat verschil kwam op diverse manieren in het huis tot uiting, bijvoorbeeld in de wapenschilden. “Bij buitenplaatsen waren die bestemd om te beschilderen, zodat een nieuwe eigenaar zijn eigen familiewapen eroverheen kon schilderen. Bij landgoederen waren ze vaker gebeeldhouwd.”

Koen Ottenheym - Professor architectuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht.
Foto: Herbert Wiggerman
Mopperen en gokken
In de loop van 19e eeuw kregen eigenaren van monumentale huizen te maken met veranderingen die een aanslag betekenden op de economische basis van hun bezit. Economische privileges werden afgeschaft en door de landbouwcrisis kelderden de agrarische inkomsten. De grootste impact had echter de Wet op het recht van successie die in 1818 in werking trad. Ottenheym: “Sommige families konden zich heel goed aanpassen aan de nieuwe tijd; anderen pasten zich niet aan, maar gingen mopperen en probeerden de verliezen op goed geluk te compenseren in het casino in Monte Carlo. Tegelijk hielden ze vast aan een levensstijl die ze eigenlijk niet meer konden betalen. Dat is in de 19e eeuw veel gebeurd.” De Natuurschoonwet kwam pas in 1928, en tiscaal vriendelijker vormen zoals familiestichtingen bestonden toen nog niet. Ottenheym: “Als je dan ongelukkigerwijs te snel achter elkaar moest
vererven en schulden had gemaakt om erfbelasting te betalen, dan moest je of een deel van je bezittingen verkopen of een nieuwe lening sluiten. Er zijn ook hele mooie, grote landhuizen gewoon gesloopt omdat men de erfbelasting niet kon betalen.”
“Beter een knipoog naar het verleden dan proberen het te imiteren”
Introductie nieuwe stijlen
Welke stromingen in de architectuur waren van invloed op de bouwstijl van landhuizen en buitenplaatsen?
“In Nederland waren het de Oranjes die de toon zetten met de introductie van nieuwe stijlen. Het was Frederik Hendrik die het classicisme introduceerde, zoals met Paleis Noordeinde. Eind 17e eeuw zie je dat bijna overal terug bij iedereen die aanzien wilde hebben. De Oranjes hadden veel internationale connecties en keken naar koningshuizen in Engeland en Frankrijk. De volgende modernisering is van Willem III, met Paleis het Loo in de stijl van Lodewijk XIV. Alle landhuizen in eerste heltt van de 18e eeuw bouwden daarop voort. Daarna volgde Willem IV met de rococo. In de 19e eeuw komt de neogotiek van Koning Willem II, die fan van Engeland was. 'Nieuwe ontwikkelingen werden het eerst opgepakt in de steden en bij de welgestelde burgers die buitenplaatsen bouwden. De adel volgde met tien tot twintig jaar vertraging. Op landgoederen doe je dat pas als het nodig is; je gaat niet alleen verbouwen omdat de mode verandert.”
Veel landhuizen en buitenplaatsen zijn dus gebouwd in classicistische stijl?
“Ja, men ging terug tot klassieke oudheid, die stijl werd beschouwd als universeel en tijdloos. Dat was de ware goddelijke schoonheid. Het ging in de architectuur vooral om de proporties, de maatvoering, het ritme, de symmetrie en de harmonie. Die basisprincipes waren bepalend, niet smaak en niet mode. Je kunt met ornamentjes, krulletjes en dergelijke wel met de mode meegaan, maar het skelet moet een soort paradijselijke toestand creëren. Dat kon je het beste leren van de Italiaanse voorbeelden,
waaraan je kon zien hoe die klassieke erfenis in de eigen tijd kon worden ingezet. Dat is in heel Europa nagevolgd en blijft tot in de 19e eeuw de standaard voor de hele architectuur.”
Democratische bouwlagen
Ook nieuwe buitenplaatsen worden vaak gebouwd in de stijl van de 17e eeuw. Ottenheym heeft daar zijn bedenkingen bij. “Dat is vaak een soort appartementengebouw dat er als een buitenplaats moet uitzien. Maar meestal werkt dat niet zo goed. De crux van een historische buitenplaats is hiërarchie; met in het gebouw een begane grond, daarboven de hoofdverdieping, de bel-etage, met grote zalen. Ook aan de buitenkant kun je zien waar de hoofdverdieping is, waar de familie woont, en aan de kleine raampjes waar het personeel woont. Als je een buitenplaats als een appartementengebouw bouwt, dan lijkt het meer een flatgebouw met allemaal democratisch gelijkwaardige bouwlagen. Dat past niet bij de klassieke architectuur die hiërarchie tot uitdrukking wil brengen. Dan
kun je beter iets nieuws ontwerpen, anders wordt het een soort carnavalsverkleedpartij.”
Zijn er recente voorbeelden die wel gelukt zijn?
“Er zijn wel goede voorbeelden, maar dan is het meer met een knipoog naar het verleden, zoals het kastelencomplex bij ‘s-Hertogenbosch van architect Sjoerd Soeters. Dat is gelukt omdat het niet pretendeert klassiek te zijn. Het is een beetje een ludieke referentie aan een historisch verleden, het heeft een eigen kwaliteit. Beter een knipoog naar het verleden dan proberen het te imiteren.”
“De geïdealiseerde natuur is net zo kunstmatig is als de geometrische tuin”
Samenhang met het groen
Had de architectuur van het huis ook invloed op het groen eromheen?
“Ja, daar is van begin af aan een samenhang. In de 17e en 18e eeuw worden groen en gebouwen voor het eerst als een geheel, een ensemble, ontworpen. Een iconisch voorbeeld daarvan is Paleis het Loo, waar de geometrische structuur van het huis in de tuin is voortgezet. In 18e eeuw verandert de tuinarchitectuur naar de landschapstuin. Dan wordt geometrie als iets onnatuurlijks ervaren, maar de geïdealiseerde natuur is net zo kunstmatig als de geometrische tuin.” Als de tuinarchitectuur verandert, hangt dat vaak
samen met verandering van het interieur, legt Ottenheym uit. “Eerst liggen de zichtassen in het midden, maar als de symmetrie minder belangrijk wordt, worden ze schuin en quasi informeel. Dan moeten ze wel van binnen zichtbaar zijn, vanaf de bel-etage op de eerste verdieping. Daarvoor wordt dan de salon aangepast. Later werd de tuin bij het woongenot betrokken en ging men op de begane vloer leven. De beleving van de landschapsarchitectuur is vaak van binnenuit bedacht. Er moet samenhang zijn. Bij een geometrische tuin ligt dat er dik bovenop, bij latere varianten is het op een quasi natuurlijke manier verbonden. Maar die informele
verbinding is net zo goed gecomponeerd.”
Wees niet afhankelijk van bezoek
Wordt er in Nederland voldoende waarde gehecht aan gebouwd erfgoed?
“Zeker, Europa-breed is daar een enorme publieke belangstelling voor. Dat zorgt voor een belangrijke bron van inkomsten. Maar als een kasteel of huis daarvan afhankelijk is, zijn in de inrichting veranderingen nodig die indruisen tegen de waarde van het gebouw. Dan moeten er voorzieningen komen, zoals nieuwe wc’s, die afbreuk doen aan de authenticiteit. Bij landgoederen kun je dat soort voorzieningen dus beter niet in het huis, maar in een van de andere gebouwen realiseren; en in die ene mooie zaal in het huis,
met beschilderde wanden, moet je niet avond aan avond party’s houden.” Bezoek van publiek is positief, benadrukt Ottenheym.
Het kan zorgen voor een band met de omgeving en het levert vaak vrijwilligers op, maar het onderhoud mag niet te afhankelijk worden van bezoekers, waarschuwt hij.”
Is er ook voldoende kennis over erfgoed?
“Zeker bij de RCE, hét kennisinstituut voor erfgoed. Je krijgt er advies over onderhoud, zoals over omgang met stucwerk en schilderwerk en hoe je daar ook subsidie aan kunt verbinden. Het is wel de vraag of er voldoende vaklieden zijn die dat specifieke werk kunnen doen. Het lukt nog wel in zekere mate om er mensen voor te vinden, uit Nederland of andere landen. Onder andere in
Polen zijn veel mensen opgeleid in die ambachten.”
Is er verschil in de wijze waarop particuliere eigenaren en andere eigenaren omgaan met monumentaal erfgoed?
“Ja, maar dat hangt ook af van de mogelijkheden die ze hebben. Ik zie niet dat particuliere eigenaren het beter of slechter onderhouden dan andere eigenaren. Alleen als een vermogend industrieel het opkoopt, dan wordt het vaak wel heel mooi
gerestaureerd, soms zelfs over the top.”

Ottenheym: 'Ik zie niet dat particuliere eigenaren het beter of slechter onderhouden dan andere eigenaren.
Foto: Herbert Wiggerman
Hoge energierekening
Verduurzamen van monumenten is ingewikkeld en het vergt hoge kosten. Zijn daar voldoende mogelijkheden voor?
“Er zijn twee soorten verduurzaming. De ene betreft de nationale doelen voor zonne-energie en dergelijke. Historische bebouwing zijn echter zo’n beperkt deel van de gebouwen in Nederland, dus waarom zou je dan heel moeizaam op 17e-eeuwse dakpannen zonnepanelen schroeven? Begin eerst maar met die industrieloodsen, daar kun je meters maken. Het is iets anders als bewoners een lagere gasrekening willen en meer comfort. Tegenwoordig is er al mooi isolerend glas dat gewoon in de historische houten frames kan. Als je dat niet wil, bijvoorbeeld bij glas-in-loodramen, kun je een voorzetraam plaatsen. Er zijn tegenwoordig ook oplossingen voor wand- en vloerisolatie. Maar niet alles kan. Bijvoorbeeld voor het isoleren van een kap zijn soms dingen nodig die het aanzien veranderen. Dat moet je je realiseren als je in zo’n monument woont. Gelukkig hoeft niet alles. Ook met lichaamsisolatie kun je het comfort verhogen; doe gewoon een trui aan, of een tweedjasje. Als je in zo’n huis woont, hoort daar een levensstijl bij waar je lol in moet hebben.”
Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen in de afgelopen veertig jaar?
“Een leuke ontwikkeling is dat jonge monumenten nu ook op hun waarde worden geschat. In de jaren ’70 zijn er nog allemaal jonge topgebouwen gesloopt. Er is ook meer waardering gekomen voor de gelaagdheid van tijd in een gebouw; niet alles hoeft helemaal stijlzuiver te zijn. Ook binnen monumentale gebouwen zijn soms nieuwe dingen die men laat zitten omdat het interessant is. Een 20eeeuwse mooie zaal in een 17e-eeuws gebouw is een deel van de geschiedenis. Recente interieurs kunnen interessanter zijn dan nieuwe namaak historische interieurs. Dat besef wordt breder omarmd. Dat is positief. Voor de landgoederen is de grote ontwikkeling dat de historische tuinen meer van belang zijn geworden. De meest recente ontwikkeling is dat ook inventaris die bij een ensemble hoort de monumentenstatus kan krijgen. Dat miste nog.”
Share this post!
Over de Landeigenaar
In dit juli nummer van De Landeigenaar gaan we in gesprek met professor Koen Ottenheym, professor architectuur-geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, over de eeuwenlange toon in de architectuur die De Oranjes hebben gezet.
Ook spreken we met Eric Blok, landschapsarchitect en tuinhistoricus, over 'Aandacht voor groen erfgoed groeit'. En met de vereniging Hendrick de Keyser die eigenaar is van bijna 500 monumentale panden.
Verder in dit nummer:
- Hoe financier je cultureel erfgoed?
- Tussen stad en polder werkt Twickel aan herstel van weidevogels
- Overdracht van boerderij of landgoed in Duitsland
- Boerenzoon creëert twee landgoederen
- Amerikaanse vogelkers: voorkom hoge kosten van bestrijding
- Oorlog Iran heeft gevolgen voor Nederlandse landgoederen
- Boomsoortenportaal: ervaringen over klimaatslimme bomen
De Landeigenaar is een uitgave van Uitgeverij De Landeigenaar B.V.
Leden van de FPG zijn automatisch geabonneerd op De Landeigenaar.